E voto Dordraceno : toelichting op den Heidelbergschen Catechismus - pagina 548
Derde deel
550
XXXV. HOOFDSTUK
ZOND.
En toch hebben beiden
I.
het mis.
Er staat wel degelijk, dat
ik, niet
alleen voor zulk een beeld en zulk
een gelijkenis mij niet buigen mag, maar dat ik ze ook niet
...
of hebben. Maar,
maar, dat
alleen "v
God den Heere voor vooraf dient
wat daar "*
men
te veel voorbijgezien, er staat
is
gebod ook
uit dit
volkomen waar, en wat
ingezien,
slaat
op
niet
men
zou willen
maken om
maken",
heeld
voor
in het
En wat
het daar heet:
als
hebt geene
gelijkenis
midden des vuurs
tot
een gelijkenis over
„Gij zult
alles
gezien
ten
dage
als de
u
zult
„Gij
:
geen
IV
HEERE
van
:
Tweede
dit
want
zielen;
gij
op Horeb uit het
u niet verderft, en maakt u
gij
ge-
u geen gesne-
afdoet, in Deut.
„Wacht u dan wel voor uwe
u sprak; Opdat
maar
gebod staat; en
15 — 19 geeft de Schrift ons zelve een duidelijke uitlegging
Gebod,
;
allerlei gelijkenissen
te stellen, of
meervoud; maar,
in het enkelvoud.
mij
w. op een afbeelding die
t.
drukken. Er staat dan ook niet
sneden beelden maken":
den
(xod
en
beelden
blyken
later
er letterlijk in het
allerlei
slechts op één beeld, en één gelijkenis,
uit te
om
iets volgt ten opzichte
ook
zal
maar
den Heere *
Dat
te stellen.
duidelijk
staat,
dit heeft
geen beeld of geen gelijkenis hebben mag,
ik
van andere beelden,
en
mag maken,
gesnedens, de gelijkenis van eenig beeld, de gedaante van
iets
man of vrouw;
de gedaante van eenig beest, dat op de aarde is; de gedaante vaneenigen
gevleugelden vogel, die door den hemel vliegt de gedaante van iets, dat op den ;
aardbodem aarde dat ;
gij
van eenigen
de sterren, des hemels gansche
dit
de
op
In het Eerste Gebod
^
de
Wet nu
en
is
zij
Gebod
is,
onder de dingen
En nu
blijkt uit
de
boveii
staat
hier
beeld noch eenige
uit
't
midden des vuurs."
de zaak met de andere goden, en dus ook met
afbeeldingen
afgedaan. Hier in het Tweede Gebod
komt
op een geheel andere chapitre, en zegt u nu, dat het niet ge-
geen afgod maar den waren God
is,
in de
tweede plaats gevaar voor u ontstaat,
gaan aanbidden op een gansch zondige
te
aanbidden, doch dat er nu
om
ivijze
;
dien eenigen
en
wat ge door het Eerste Gebod gewonnen hadt, weer
uw
alle
„geen gelijkenis gezien had, toen Jehovah
noeg
^ te
aan
uitgedeeld."
op den Horeb aan het volk verscheen en tothensprak
afgoden
onder de
en wordt aangedreven
men daarom geen gesneden
mag maken, omdat Israël
de
is
HEERE, uw God
aarde, en onder de aarde in de wateren.
in VS. 15 uitdrukkelijk, dat gelijkenis
hetwater
metterdaad een uitlegging van het Tweede
de breede toelichting van wat te verstaan aarde,
heir,
u voor die buigt en hen dient; dewelke de
volken onder den ganschen hemel heeft
Dat
visch, die in
ook uwe oogen niet opheft naar den hemel, en aanziet de zon
gij
maan en
en de dat
kruipt, de gedaante
vereering van .Jehovah u tot een vloek worden.
daardoor
waren God nu zou
te loor gaan,
al
en toch
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 631 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 631 Pagina's