E voto Dordraceno : toelichting op den Heidelbergschen Catechismus - pagina 460
Derde deel
462
XXXI Va.
ZOND.
Wij
geven.
hoe
behooren
dan
het
is
nochtans deze Tien geboden ook een
te verklaren, dat
macht over onze Dit punt
Israël in zijn nationale formatie. Eilieve,
tot
niet
hoofdstuk IL
consciëntie zijn?
van het uiterste gewicht. Wie toch de Tien geboden gelijk
is
ze daar liggen, voetstoots overneemt en op onze toestanden toepast,
de
in
verzoeking
om
^gaan vieren, en zichzelven ouders een middel
is,
van zulke stellingen
gaan
te
om oud
te
de strafwet
worden
ons
in
eigen
komt
als rustdag te
diets maken,- dat het eeren
van
ziJn
worden. Of ook, wie de onhoudbaarheid
loopt gevaar, zich een vrijer uitlegging ten
inziet,
van de Tien geboden
opzichte
zou
den zevenden dag nog altoos
v.
b.
te veroorloven, die, bij
de uitlegging van
land, door geen enkelen wetgever of rechter
Men wordt dan of formalist öf maakt zich aan men over de verhouding, waarin wij
toegelaten.
wilkeur schuldig; en dat enkel wijl
Tien geboden
de
tot
staan, nooit rustig heeft nagedacht. Juist daaro
m
stelden v/e zoo kras en zoo duidelijk mogelijk op den voorgrond, dat de
Tien geboden formeel en als nationaal bindende wet slechts aan één volk
gegeven
zijn
en dus ook slechts voor één volk gelden.
Geheel zou zich echter vergissen, wie hieruit nu voorts af wilde leiden, dat derhalve deze Tien geboden ons niet aangaan. Ze gaan ons wel terdege
maar op een andere
aan, en binden ons ongetwijfeld, alleen het,
is
wat we
in dit
tweede artikel in het
antwoord over de
In het
„goede
licht
werken"
gaan
wijs; en
dit
stellen.
stelde de
Catechismus de
Wet des Heeren tegenover „ons goeddunken of menscheninzetting." Hierin nu
ligt drieërlei
uitgesproken. Vooreerst dat wij van nature geneigd
goeddunken,
ons eigen
nemen. Satan had
zelf
i.
met onze wenschen en
strookt te
d.
wat ons behaagt
lusten, als regel voor onze gedraging
in het Paradijs
den mensch
wat men noemt en laten
te zijn,
gewenschte
„uit eigen
van
we meest nog
voelen
oogen
te zien," rechter
en voor zich zelf vast
regel
en van de
is;
ons de neiging dan ook steeds in hetbloed,
af, zit
te stellen,
over zijn
wat de
beste en meest zijn
Alleen wie zeer laag staat, geeft in elk gege-
ven geval eenvoudig aan de opwelling en den lust van het oogenblik
Doch zoo dat
vast,
zijn
de meeste menschen
men sommige
dingen
niet.
is,
recht,
houdt
om
men aan
naar
toe.
Voor de meesten staat het nog
doen moet, en andere dingen
mag. Alleen maar, de bepaling van- wat gen
om
eigen doen
gedraging zal zyn. Dat er zekere regel moet wel.
aan
ingefluisterd, dat hij
moest kunnen onderscheiden wat goed en wat kwaad
ure van onzen val
zijn,
of invalt, en het meest
te
mijden en van wat
zich zelf, en ook houdt
men aan
niet
doen
te volbren-
zich zelf het
den loop der omstandigheden, zichzelven dispensatie
geven, van wat anders
nit
den aangenomen regel zou volgen.
te
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 631 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 631 Pagina's