E voto Dordraceno - pagina 93
ZONDAG
V.
HOOFDSTUK
81
I,
genade komen?" En het antwoord, hard en ontzettend, maar toch een hope biedend, betuigt ons: „God wil dat aan zijne gerechtigheid genoeg geschiede: daarom moeten wij aan dezelve, óf door ons zelven, óf door een ander, volkomen betalen," straal der
Let er aanstonds op, dat de Heidelberger vraagt: „Is er een middel
om
weder tot genade te komen?" Genade beduidt hier dus niet: kwijtschelding van schuld, maar dien zaliglijk met God vereenigden toestand, waarin Adam stond vóór zijn val. „Genade" wil hier zeggen: vrede met God,
Gods viel
heerlijke
hij
luidt
gunste.
de vraag:
gunst terugkeert, middel,
om
Is
er
of,
deze straf
In
die
gunste stond de mensch. Uit die gunste
Toorne trad voor die gunste in stee. En nu een middel, waardoor die toorn weg kan, en die gelijk de Catechismus het letterlijk uitdrukt: „een te ontgaan en in de genade wederom in te komen?" gevraagd naar afslag van straf, niet naar tempering
door de zonde
uit.
Er wordt alzoo niet van Gods toorn. Dat laffe, halfslachtige denkbeeld snijdt de Catechismus terstond af. De straf moet niet maar getemperd, maar geheel opgeheven, want anders, dat voelt de Catechismus uitnemend, zijn we toch weg. Dit maakt hij voelbaar door er in de vraag zoo wijdloopig bij te zeggen: „Aangezien we naar Gods rechtvaardig oordeel tijdelijke en eeuwige straffe verdiend hebben." Tegen zulk een ontzettende straf toch baat geen afslag. Wat wilt ge minderen op een oneindige schuld? Hoe wilt ge ooit iets afdoen op een schuld, die voor oneindig groot" te boek staat? Of leerde de rekenkunde ons niet reeds, dat ge zelfs door millioenen op millioenen te tassen nog geen klein onzichtbaar stippelke van het „oneindig groot" afkrijgt. Minderen van de straf baat hier dus niet. Hoe groot die mindering ook ware, de straf zou nog steeds oneindig blijven. En zeer terecht strekt daarom de vraag van den Catechismus niet tot mindering, maar tot een geheel ontgaan van deze tijdelijke en eeuwige straf. ,,
Nu
zou naar de gewone menschelijke voorstelling, die dan ook, o zoo
op God den Heere wordt overgebracht, het antwoord op deze in dezer voege moeten luiden: „o, Gewisselijk, God de Heere kan u al uw straf kwijtschelden, zoo Hij u uw zonde maar uit liefde vergeeft." En was dit nu zoo, kon God de Heere metterdaad op zulk een wijze uw zonde vergeven, dat Hij u eenvoudig de straf kwijtschold, zoo ware u dikwijls,
vraag kortaf
de leer der Verlossing zeker uiterst gemakkelijk
te
verstaan.
Alle
toe-
dan eenvoudig weg. Alle zonde wierd beschouwd als niet bedreven. En van alle straffe zag God de Heere eenvoudig af. En dit ware dan de heilsleer. 6 E Voto I rekening van zonde
viel
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 512 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 512 Pagina's