E voto Dordraceno : toelichting op den Heidelbergschen Catechismus - pagina 596
Derde deel
598
XXXVI. HOOFDSTUK
ZOND.
III.
nadere aanwijzing. Zoowel de Catechisatie als de School toch strekte voor
wat het
mend
Naam
Om
kort
Beeld,
mag
te gaan,
Naam
den
dat
de
haar middenpunt moet hebben.
God ons
zijn
verplichting volgt,
Heeren eigen
des
te steunen,
tot
dus gezegd, dat uit deze schepping naar Gods
feit
voor alle menschenkind
en
heilige
erkent, dat én die opleiding én die studie steeds de ken
verband met
in
eindelijk de
volgt hieruit van zelf voor een
ligt,
vanden Naam des Heeren Heeren
nisse
aan het opko-
Hoe
desWoords en de geheele beoefening der
opleiding tot den Dienst
met ons
om
des Heeren bekend te maken.
Godgeleerdheid op dezen zelfden weg iegelijk die
dan
terrein aangaat, tot niets anders,
heilig
geslacht den
te
wat de betere en
maken, en
Naam geopenbaard heeft, om zich cZe kennisse van
alles in de
hand
werken
te
Naam
van dien
juistere kennisse
bevor-
deren kan.
Maar hiermee
de strekking van dat gebod nog niet ten einde toe
Kennisse van
doorzien.
waarom
toch
is
onze weetzucht, maar
gekenden God toe
maar
niet
^
onze verplichting
ligt in
te wijden.
y
I
belijden
sprong
aller
zonde
tiek oogenblik belijdenis tenzij
Maar juist
meer
te
pas.
daarin, dat
ons
sta, die
zich door Satan in een kri-
den hemel komt geen
Naam
dien
niet belijden
miskent of loochent.
ze ving
aan met maar
wat God haar gezegd had; maar, toen Satan
hier zijn voor-
Eva begon dan ook goed
van de zaak tegenoverstelde, zweeg
den Christus in de woestijn
;
ze,
Omgekeerd
beleed ze niet meer, en lag de overwinning van
juist hierin, dat hij tegenover beleed,
Satan aldoor
en telkens het woord Gods uit
Openbaring tegen Satans influistering overstelde. Het is dus geen oogen-
blik twijfelachtig,
wat we onder het
verstaan hebben. De Heere wil, dat r
Eva
het Paradijs voor het insluipen van de satanische
en rusteloos de Openbaring Gods die
onze woor-
omdat Satan bestond, en de mensch
juist in dat niet belijden lag haar val.
.
alle
Men kan toch den Naam des Heeren
tegenovej!'
te beveiligen.
belijden
Naam
(Vr. 99).
het Paradijs k<3n dit wel,
om
van
ons aan den als dan
aangeroepen, en in
öe/ce^cZ,
die belijdenis liet afbrengen. In
geroepen was,
stelling
om
Het doel
niet bevrediging
reeds in het Paradijs als verplichting, en de oor-
ligt juist
van
iemand
er in
invloeden te
bestond
is
moet worden, wat onze Catechismus
beleden
den en werken geprezen worde" Dit
niet genoeg.
is
Vandaar dat we schreven, dat deze
van ons recht
hij
des Heeren
ons geopenbaard werd,
maar ook
gekend,
noemt: „opdat
Naam
den
Naam
die
Hij ons die ieder,
die
belijden
we
van den
Naam
des Heeren
de kennisse van zijn
Naam
te
gelijk
geopenbaard heeeft, duidelijk zullen uitspreken tegenover een haar tegenstaat, en dat
we
niet
zullen zwijgen, ook al dreigt
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 631 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 631 Pagina's