E voto Dordraceno : toelichting op den Heidelbergschen Catechismus - pagina 242
Derde deel
244
ZOND.
I.
aan de rechte bediening van het Woord en het Sacrament
zichtbare
het
XXXI. HOOFDSTUK
en de rechte oefening van de Tucht. Dit
nu noopte de
opstellers
van den
Catechismus, na de afhandeling van de Sacramenten, nog kortelijk de „Be'
van het Woord" en de ..oefening der Tucht"
diening
gen, en het
deeling
daartoe,
is
saam
Onder dien
dat beide onderwerpen
gevat onder den
zijn
„Van
in de
te bren-
XXXIste Zondagsaf-
de sleutelen des hemelrijks.'"
wordt dan in Vraag 83 verklaard, dat deze beide
titel
van het Woord,
sten, zoo die
titel:
sprake
ter
van de Tucht,
als
tot de
dien-
Sleutelmacht hooren;
en daarna in Vraag 84 van de Bediening des Woords en in Vraag 85 van
den Christelijken Ban of Tuchtoefening gehandeld. Uitdrukkelijk toch wordt
Antwoord 83 gezegd, dat de
in
stukken,
ban;
w. de verkondiging des heiligen Evangelies en den Christelijken
t.
en wel
de tucht
sleutelen des hemelrijks bestaan in twee
wordt deze vraag van de Sleutelmacht vastgeknoopt aan het Sacrament, (gelijk blijkt uit het verband tussclien Ant-
bij
woord 83 en Antwoord 82 dat voorafging) maar toch toont het
uitvoerige
antwoord op Vraag 84 over den Dienst des Woords genoegzaam, dat de wel degelijk den toeleg hadden,
opstellers
over
de
Sacramenten,
ook
de
om na
het noodige onderricht
kenmerken der ware kerk,
beide andere
w. den Dienst des Woords en de Oetening van de Tucht tot hun recht
t.
doen komen. Zoo schijnt dus geheel deze Zo udagsafdeeling slechts een
te
aanhangsel op bedoelt
de
der Sacramenten te zijn
leer
ook aan de beide andere diensten,
ze,
maar
;
die,
in werkelijkheid
met de bediening der
Sacramenten, geheel den dienst des geloofs in de kerk op aarde uitmaken,
hun eigen Gelijk
plaats in het geheel van den Catechismus te verzekeren.
men nu weet
onder den
geheel de voorstelling van deze beide Diensten
is
vorm van de
Petrus sprak
Sleutelmacht ontleend aan wat de Christus tot
in de deelen
van Cesarea
Philippi.
Het was toen het lang
verbeide oogeublik, waarop de Heere oordeelde, dat zijne jongeren einde-
genoegzaam voor het doen van
lijk
Belijdenis gerijpt waren.
Ze hadden
omgang en van
zijn innigst
dusver wel gedeeld in het voorrecht van zijn vertrouwen, maar toch was het verklaring
en
ken
betuigde:
is
de ure gekomen, dat ze zich
Op
die vraag
„Gij zijt de
zijn hart
andere jongeren
nam
mag
toen Petrus in aller
af:
„Wie zegt
naam
het woord
Zoon des levenden Gods." Dat was het
van den stroom der
belijdenis,
één wist. En nauwelijks
is
niet
kunnen en moeten
daarom vraagt Jezus hun thans op den man
dat ik ben?"
uit
Rabbi, dien ze volgden. Blijkbaar wilde
waarheid in hun eigen hart was geworden. Doch nu
uitspreken, en
en
tot een rechtstreeksche
vroeg dringen tot een betuiging, die nog niet tot klaar-
te
langer getoefd. Eindelijk
gij
hen noch nimmer
gekomen tegenover den
Jezus hen niet heid
bij
waarin
hij
zich
losbre-
met de
deze besliste belijdenis over
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 631 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 631 Pagina's