E voto Dordraceno - pagina 367
ZONDAG
HOOFDSTUK
XIII.
III.
355
men
uit God geboren of wedergeboren van God wordt aangenomen; en eerst deze beide vullen elkaar tot volkomenheid aan. Aanneming tot kind grijpt onder ons plaats, als we een knaap of meisje dat niet ons kind was, door een wilsdaad onzerzijds overbrengen in een toestand, dat het nu rekent als ons kind, en in al de rechten van het
tweeërlei uitdrukking: eenerzijds dat
wordt, en anderzijds, dat
kindschap
deelt.
De
men
als kind
uitdrukking van „aanneming" moet dus gebezigd
worden om duidelijk te doen uitkomen, dat wij, zondaren, beginnen met niet Gods kind te zijn, en het eerst daarna uit vrije genade worden. Maar terwijl wij, hoezeer in staat een kind aan te nemen, toch de macht missen, om het vreemde kind alsnu in een kind van ons zelf om te scheppen, bezit de Heere, onze God, die macht wel. Er is dus in Hem wel een wilsdaad waardoor Hij wie niet zijn kind was, als zijn kind rekent; maar dit is Hem niet genoeg. Hij bezit ook en bezigt de macht om van Lo-ammi daadwerkelijk Ammi te maken. Hij schept ons om; Hij baart ons weder; Hij verandert ons zóó, dat we Hem van vreemd eigen worden. En dit nu is de wondere wedergeboorte. Altoos zóó echter, dat in zijn Raad, de aanneming tot kinderen aan de wederbaring voorafgaat, en de wederbaring slechts middel is, om de aanneming waarachtig te maken. Volkomen juist zwijgt daarom de Catechismus hier van de wedergeboorte en komt alleen op de aanneming.
En staan nu aldus
Eeuwige Zoonschap en ons kindschap tegenook omgekeerd weer een zeer nauwe band, ineen doet vloeien of gelijkvormig maakt, maar als onge-
over elkander, dan die beide niet
is
het
er toch
lijksoortig nochtans verbindt.
Deze band nu ligt onzerzijds in tweeërlei: Ten eerste daarin, dat onze schepping naar den beelde Gods een zwakke afschaduwing in zich droeg van de eeuwige generatie. Een zeer zwakke afschaduwing dus, maar een afschaduwing dan toch; naar het perk van het creatuurlijke. En ten andere, dat de Middelaar ons ten Hoofd is gezet in stee van Adam en wij, als kind van God geen bestaan hebben dan in het Lichaam Christi, als zijn leden,
en slechts
in
Hem
inzijnde, en zijnen beelde gelijk-
gemaakt wordende, het kindschap Gods openbaren. Maar ook anderzijds ligt die band er van de zijde van den Middelaar: Ten eerste daardoor, dat Hij ons vleesch aannam, onze natuur overnam, en den broederen in alles gelijk wierd, uitgenomen de zonde. Ten tweede, dat Hij niet pas bij Bethlehem, noch ook pas. na den val, maar reeds in den eeuwigen Raad des welbehagens, als Verlosser, Verzoener en Middelaar besteld en bestemd is. Gevolg waarvan was, dat
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 512 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 512 Pagina's