E voto Dordraceno - pagina 420
ZONDAG
408 in zich voelt,
het verleden,
om opnieuw
zaken
IV.
beginnen, en op die wijs, geleerd door
te
alsnu op voorzichtiger wijze zaken te gaan doen, en zich
een eerlijk stuk brood
verdienen.
te
maar af ben, heb niemands hulp meer noodig, dan zal ik voorts mij zelven wel redden. Maar zie nu, hoe ongodvruchtig dit wordt, zoo ge dit op den zondaar Zijn diepste gedachte
ik
HOOFDSTUK
XV.
God
tegenover Hij
is
hij,
overbrengt.
Nu komt
zal ik
onder de
ligt hij
de Borg en betaalt voor
De eeuwige verdoemenisse
af.
nu
dus: Als ik van die schuld
schuldenaar aan God, en kan niet betalen. Dies
eeuwige verdoemenisse. geheel
is
bestaat nu niet
om
weer kracht hebben,
hem voluit en meer. En nu denkt
er mij
bovenop
te
werken, en mij
zelven weer een gelukkig bestaan te verschaffen. Dit
is
dus de ongodvruchtige en onvrome,
ding, alsof
gij,
als
uw
ja,
u bezat, om u zelf een eeuwige gelukzaligheid Ongodvruchtig in tweeërlei opzicht: Vooreerst toch
God
wel
mag men
een vergelijking en niets meer
te
in
verwerven.
wijze van beeldspraak onze schuld voor
bij
een betaalsom vergelijken, mits
bij
diep goddelooze inbeel-
schuld er nu maar af was, voorts wel kracht
Het
is.
is
men
nooit vergete, dat het
toch niet waar, dat onze schuld
God evenals een betaalsom buiten onzen persoon zou omgaan. De zonde heeft onzen persoon aangetast; kleeft in onzen persoon; heeft heei onzen persoon ontsteld en alle kracht in ons gebroken. En~>zoo komt het,
voor
dat een zondaar, die deel niettemin zondaar
in het
voorbij, zoo ge denkt:
Voor
Zoenoffer van het heilig Godslam
dood
blijft tot zijn
mij
is
mij zelf. Ja, in Christus zijt ge vrij
En
in
de tweede plaats
waart ge
uw
is
dit
En
nu betaald, dus ben toe.
dit
man; maar
in
ziet
ik
u
krijgt,
ge goddelooslijk
weer
vrij
zelven
man
in
geenszins.
ongodvruchtig gedacht, omdat ook
al
inwonende zonde af, het toch geen schepsel ooit betaamt, om zich in te beelden, als had hij een bron van kracht in zich zelf. Neen, kracht hebt ge, ook van de zonde afgerekend, niet. Ge zijt geen bron. lu uw ziel vloeit niets en kan niets vloeien dan een afgeleid beekje. De bron is in God, en blijft dus verloren, tenzij uit de Springader des eeuwigen levens het leven u toevloeie. in
persoon van
alle
Zeer godvruchtig en vroom leert daarom onze Heidelbergsche Catechismus, dat Christus ons tweeërlei verwerven moet: lo. de verlossing van de eeuwige verdoemenisse door zijn bloed; maar ook 2o. de gift van „de genade, de gerechtigheid en het eeuwige leven".
Van
het eerste
het laatste.
is
En dan
thans genoeg gezegd, zij
we
bepalen ons nu alleen
opgemerkt, dat Christus, die
God was
en
is
tot
en
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 512 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 512 Pagina's