E voto Dordraceno - pagina 230
ZONDAG
218
O,
De mensch
HOOFDSTUK
X.
bedriegt zich zelven
in
dit
II.
opzicht zoo met open oogen.
maar eens toe, hoe verreweg de meesten, als hun leed of ongeval of rouwe overkomt, op hun lippen het zeggen hebben: ,,Het moest zeker zoo zijn!" ,,een mensch kan er niets tegen doen"; ,,wij, menschen, hebben er in te berusten!" En wat, bid ik u, bedoelen ze met al zulk zeggen anders, dan dat ze op een muur stooten, waar ze niet door kunnen; door een macht beheerscht worden, waar geen verwrikken aan is; en aan een keten liggen, die ze toch niet kunnen doorvijlen of stukwringen. o, Als ze macht hadden, om er tegen in te gaan, ze zouden opstuiven en verwoed tegenstrijden! Maar als een enkel dapper man door duizend vijanden omringd is, wat zal hij ook tegenworstelen; als men u aan een rotsblok van tien centenaar ketent, wat zult ge er ook aan rukken? En zoo nu voelen de kinderen der menschen zich van nature door een overmacht overmeesterd, waar toch geen worstelen tegen is; en daarom houden ze zich dan in, en berusten, zoo het heet; maar er is geen toon in het hart, dat God het gedaan heeft; geen klank in de ziel die aan een Luister
goddelijk ontfermen ook in
zijn
toorn
gelooft;
geen kus op de lippen
voor de Vaderhand die sloeg.
Eer mort men en murmureert. En zoo men zijn gemor opkropt, omdat het toch doelloos en onnut zou zijn.
is
het
enkel
Ge moet dus
niet
zeggen, dat
van nature aan Gods Voorzienigheid
gij
hun Noodlot bukken. De zondaar van nature. En zoo
gelooft en dat alleen de booze Stoïcijnen voor Stoïcijn
zit
ook
in
u,
want
Stoïcijn
u in het leed ooit een glans van troost en teeder
gemaakt
elk
Gods voorzienig dan
heeft,
is
viel
die
bestel verkwikt en ge-
lichtstraal
in
uw
hart uit
loutere genade.
En gelijk op van nature een komt
uit
die wijs de Stoïcijn
is
zondaar
in
dagen van smart en tegenspoed
en het Noodlot voor
datzelfde booze hart
bij
God
in
plaats
stelt,
vreugd en voorspoed en ook
bij
zoo de
woeling des levens, het spelen met de Fortuin op.
Leg uw oor maar te luisteren, als de een tot den ander zegt: „Ge moet ook maar gelukkig wezen"; „nu, daar zijt ge fortuinlijk mee geweest"; „dat is luk of raak zooals het uitvalt"; „dat loopt niet mee"; ,,daar hebt ge een kwade kans aan gehad";
,,dat sloeg tegen";
mee, man", en wat er van zulk zeggen meer duidende, dat
men aan God
niet denkt,
is;
,,ge
hadt de fortuin
altegader klaarlijk aan-
buiten den Eeuwige
om
rekent,
vrucht van kans en van geval.
lot en zijn geluk beschouwt als Vandaar dan ook de onhebbelijke en onbedwingbare drift waarmee de mensch zich in de strikken van het spel verwart. Van meet af zijn onze
en zijn
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 512 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 512 Pagina's