E voto Dordraceno - pagina 200
ZONDAG
188
toch luidt het slot van Luc.
IX.
HOOFDSTUK
I.
III 38: „Enos de zoon van Seth, Seth de zoon van Adam, Adam de zoon van God." Dit zoonschap van Adam doelde op tweeërlei. Vooreerst daarop dat Adam geen aardschen vader had gehad, maar rechtstreeks, zonder tusschenkomst van aardsche ouders, zijn ontstaan en aanzijn aan God dankte;
en
:
zooverre ziet het eenvoudig op de rechtstreeksche scheppingsdaad,
in
hem boetseerde uit het stof der aarde en in zijn neusgaten den adem des levens en alzoo het aanzijn schonk aan een „levende En ten tweede daarop dat er een soort van gelijkheid tusschen God
toen de Heere inblies ziel".
en
dit
schepsel bestond.
Vader
is
iemand
te voller,
keert en weer opleeft. als het
ware
Dan
voort. Het
hoe meer
in zijn
kind zijn eigen wezen terug-
zet een vader zijn eigen leven in zijn kinderen
Vader en Schepper
zijn
loopen dan ook daarin
het meest uiteen, dat de Schepper die een star schept, die star scheppen
kan zonder dat deze star eenigen trek van gelijkenis vertoont met Hem zelven; terwijl omgekeerd het Vader-zijn altoos insluit, dat er eenige verwantschap en overeenkomst tusschen Vader en zoon besta. Zoo teelde Adam toen hij vader wierd zijn zoon „naar zijn beeld en zijn gelijkenis" (Gen. V 1). En dit nu wordt ook van Adam zelf ten opzichte van den Heere beleden. Ook Adam was beeld Gods op beperkte wijs. Waarlijk beeld des Vaders is alleen de Eenige Zoon. In Hem is :
het beeld ten volle uitgedrukt: Hij
is
het
,,
uitgedrukte beeld zijner zelf-
„Het beeld des onzienlijken Gods." Nu, dat was Adam niet. Om dat te zijn zou hij zelf de eenige Zoon hebben moeten wezen. Maar wel was er in hem iets naar dat beeld. Een trek van gelijkheid en overeenkomst. Zekere trek van verwantschap. Niet als een star of rups of walvisch eenvoudig uit Gods scheppingsmacht voortgekomen, maar zoo, dat er iets aan hem was van God zelf. Zwak, zeer flauwelijk en op hoogst beperkte wijze derhalve was het beeld Gods in hem afgekaatst. Niet als in den eeuwigen Zoon het beeld van zijn zelfstandigheid; dat kon niet; maar het beeld van zijn gelijkenis; d. i. van de goddelijke eigenschappen, voor zoover die mededeelbaar zijn. En zoo was Adam dan „zoon van God", en zijn tot op zekere hoogte nog alle menschen „kinderen Gods", naar aanleg en oorspronkelijke bedoeling, in zooverre, vergeleken bij een steen of een wolk, in den mensch trekken zijn, die aan trekken in de gelijkenisse Gods, zij het ook in omgekeerden zin, herinneren. Een gebroken nardusflesch is niets meer waard. En is er geen nardus meer in, en zij kan voor geen nardus meer dienst doen, maar toch is het nog altoos aan de brokstukken te zien, dat het een flesch, voor zulk doel bestemd, geweest is. standigheid",
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 512 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 512 Pagina's