E voto Dordraceno : toelichting op den Heidelbergschen Catechismus - pagina 556
Derde deel
XXXY. HOOFDSTUK
ZOKD.
558
II.
mensch moet in het diepste van zijn wezen een onuitroeibare neiging bezitten, om met dit Beeld Gods de innigste gemeenschap te bezitten. Hij kan van dit Beeld Gods niet loskomen en ook, waar hij het verloor, moet het heimwee naar dit Beeld kan
tengevolge
het
of de
anders,
niet
,
Gods,
het ook onbewust en ongemerkt,
zij
wezen
uit zijn schepping, uit zijn
Gods
val dit Beeld
''
Hy
Gods.
Hij
om
zelf,
dan dat
God
het Beeld van hij
hoe kan de poging
En toch
maken?
te
hem
hem
een onuitsprekelijk ge-
hem
natuur
drijft zijn
om
rusteloos
het Beeld van God, dat
Hij heeft het niet,
om
vormen ?
te
eigen natuur
steeds prikkelen. Dit volgt
hebben. Maar wat spreekt dan meer van-
te
uitblijven,
een beeld van God drijft
zich dus in
een poging zal wagen,
ijlings
verloren heeft, zelf
hem
mensch. Zoodra de mensch door den
beantwoordt nu niet meer aan het Beeld
heeft het niet meer.
uit,
hij
moet
verliest,
van leegte openbaren.
voel
als
hij
moet het hebben;
zich zelf te helpen door
Dit
is
met eigen hand
geen wilkeur van den zondaar. Zijn
naar
hiertoe. Dit zou niet zoo zijn, indien hij niet
den Beelde Gods geschapen ware; maar nu
hij
eenmaal naar den Beelde
Gods, en niet anders dan naar den Beelde Gods geschapen
is,
nu kan
hij
er niet buiten, en eenmaal zondaar geworden, en van het Beeld van God beroofd, moet hij zich wel zelf een Beeld van God pogen te verschaffen.
kan
Dit
niet anders. Dit
is
nadat deze door de zonde
Toch den
is
zondaar nog
menschelijk
dien
de dorst naar het Beeld Gods, die ook
het voldoen aan die menschelijke behoefte
zelf zich voorbehouden. Hij zou zijn
God ons worden teruggegeven. In den
in zijn menschelijke natuur;
want
zijn bij
Zoon zenden, en
voor den
Christus
te loor
ging in
in Jezus Christus als het ons hergeven Beeld
zondaar
is
het Beeld
zijn Goddelijke,
in die menschelijke natuur
zelfde Beeld van God weer opgericht, dat
Het geloof
•"
is
een heilige en onsterfelijke trek van
dan ook metterdaad weer verschenen; niet in
van God
dit
wel
overblijft,
Zoon, die daartoe onze menschelijke natuur zou aannemen, zou
het Beeld van
maar
Want maar
wezen,
den zondaar had God in
viel.
het voldoen aan deze aandrift niets dan nieuwe zonde; zonde
op zonde gestapeld. in
natuurlijke aandrift van zijn natuur als mensch,
werd
Adams
van God
is
val.
daarom
het positieve dat in dat gebod geboden wordt; terwijl
dit zelfde
gebod ons verbiedt elke poging,
zelf eenig
Beeld van God
te
om
buiten dezen Middelaar om,
maken. In Christus schonk God ons
zijn
Beeld
terug, en wie in dien Christus gelooft, wordt naar datzelve Beeld in ge" daante veranderd, zoodat hij dan ten slotte ook zelf weer de trekken van
Gods Beeld
gaat vertoonen.
Wie daarentegen
buiten dien Christus staat
en dien Christus verwerpt, mist het Beeld van God nog, en wordt nu door zijn
zondige natuur onweerstaanbaar geprikkeld,
om
zelf
raad te schaffen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 631 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 631 Pagina's