E voto Dordraceno : toelichting op den Heidelbergschen Catechismus - pagina 565
Derde deel
XXXV. HOOFDSTUK
ZOND.
567
III.
uitwendige in kleeding, gebaar, gang en vorm was zoo overwegend, dat stellig in
de meeste gevallen de spanning der
om
richtte,
maakte van
Dit
vormen
vormen zonder
uitwendige
die
zelf
dat
men aan
ziel zich er bijna
feil
of fout
het uitwendig
waar
geheel op
te
nemen.
waarnemen van deze
zoodanig waarde ging hechten. Zooveel en zooveel Paternosters,
als
zoo en zooveel Ave Maria's, zoo en zooveel „Engelsche groetenissen, afge-
En algemeen was
preveld te hebben gold als verdienstelijk.
onware overtuiging ingedrongen alsof op Gode behage kon. Daartegen ben
zijn
vorm
onze vaderen toen ingegaan, en ze heb-
het vrome volk weer naar het Beeld Gods teruggeroepen, dat in
al
Christus
gegeven was, dat door het geloof in Christus ook in hen weer
kon opleven en ze hebben de waarachtige
alle
de valsclie en
zichzelf deze uitwendige
waarheid weer doen schitteren, dat
heerlijke
religie in niets
anders kan bestaan, dan hierin, dat
wij,
kinderen der menschen, ons uiten, aanstellen, en voor' het aangezicht Gods
gedragen als geschapen naar den Beelde Gods. Op dien grond hebben ze
w aardij
alle
ontzegd aan elk uitwendig werk, dat niet bezield was door
het geloof in Christus, als het ons door God herschonken Beeld van Zichzel-
ven
en tevens alle kracht ontzegd aan welken godsdienstvorm ook, die niet
;
door een uiting der
pen
van
alle
ziel
kleeding,
ceremoniën en bewegingen.
Zelfs
handvouwing en wat
zij,
dies
hun roepen was maar, Vader in de hemelen,
van
verloste
Vandaar hun verwer-
gedragen en vervuld werd.
religieuse
meer
alle
het
kunst,
religieuse
kruis
kwam bij
hen niet
alle
religieuse
kniebuiging,
de
in eenige waarde.
Al
slaan^
de
om de vrije zielsuiting van het kind van God voor zijn d. w. z. om de doorschijning van het Beeld Gods in den
Christus. Steeds naar den regel, „dat
we ons licht zoo zouden
doen schijnen voor de menschen, opdat ze onze goede werken zien mochten en onzen Vader die in de hemelen Niet,
men
van de knieën lijk.
is
verheerlijken mochten."
versta ons wel, alsof onze vaderen op zichzelf in het buigen iets
verkeerds zagen. Knielen ook in de kerk
Maar, helaas, de uitkomst had getoond, dat
dit
is zelfs
voor aller oogen den mensch in zijn uitwendigen zin verstrikt en ten leste schade aanbrengt. Het kruisteeken
en
op zichzelf zou het heerlijk
wegen heilig
uit
kon komen maai;
teeken op
die
zijn,
heer-
buigen van de knieën
was ook onzen vaderen
alzoo heilig,
zoo dit teeken van het kruis aller-
helaas, de uitkomst had getoond, dat dit
wijs niet in de wereld kan
worden ingedragen, of
het wordt feitelijk tot een amuleet verlaagd of werktuiglijk bespot in zijn
En zoo moet ook nu ons standpunt tegenover alle deze vormen van Godsvereering steeds naar den regel onzer vaderen bepaald heilige beteekenis.
worden.
In
zielsuiting
geen op
van deze vormen steekt op zichzelf kwaad. Indien de
de hoogte van deze
vormen
is,
zoodat deze vormen niets
-r
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 631 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 631 Pagina's