E voto Dordraceno : toelichting op den Heidelbergschen Catechismus - pagina 461
Derde deel
ZOND.
Want wel schijnt het
XXXIVa. HOOFDSTUK
463
II.
alsof we voor de onderscheiding tusschen goed en
een algemeenen regel volgen, maar meer dan schijn
kwaad
We [leven
is dit niet.
niet
alleen.
Om
ons heen
hebben
als
wy. Daardoor komt het dan, dat er in heel dezen kring zeker
algemeen gevoelen
van menschen
zijn tal
die
ongeveer gelijke neigingen
voor wat gepast of ongepast
ontstaat
is. En omdat opkwam, ontvingen we dan goeddunken volgden, maar een hooger wet.
deze stilzwijgende regel ook ons in het hart
den indruk alsof
Toch
we
dit feitelijk
is
niet eigen
niet zoo, gelijk duidelijk blijkt uit de gemakkelijkheid
waarmee we ons aan dezen
regel onttrekken, zoodra
we
door verhuizing
of anderszins in een anderen kring overgaan, en daardoor
ren levensregel
in aanraking
komen;
levensregel allerlei wijziging laten ondergaan, naar gelang den, of andere indrukken ontvangen. Zoo
ren regel te gehoorzamen,
men verkeert nog in men toch feitelijk
eigen goeddunken volgen, en nu aan dat eigen
lijk
van rechtschapen, eervol
te
zijn.
dezen
we ouder
wor-
waant men dan nog aan zeke-
hooger beginsel dient, terwijl
geeft
met een ande-
of ook zonder te verhuizen
de meening dat
men
een
niet anders doet,
dan
zijn
goeddunken den
fatsoenlijk, ideaal of
eeretitel
ook eenvoudig zede-
Hierin wordt dan de zonde van het Paradijs volkomen. De
Wetgever is opzij gezet. Zelf is men zijn eigen wetgever geworden Men is nu als G-od, zelf onderscheidende tusschen goed en kwaad. En in de tweede plaats protesteert de Catechismus tegen het volgen van menscheninzettingen. Al naar gelang toch de mensch
fier
en sterk
van karakter, of slap en zwak van aard
zijn
eigen goeddunken
zijn
te volgen, óf
is, zal hij óf meer neigen om meer leunen gaan op inzettingen van
medeinenschen ; doch zoo, dat het in beide gevallen
van een
regel, die
niet door God,
maar door den
is
en
ynenseh
blijft is
het volgen
Wat
ingezet.
hier over de „menschelijke inzettingen" gezegd wordt, versta
men
intus-
schen niet verkeerd. Als door den koning van een land inzettingen voor het
leven van zijn volk gegeven zyn,
mogen deze op
met wat men noemt „menschelijke inzettingen" op één lijn worden gesteld. Voor zoover toch van Godswege aan dezen koning volmacht en bevoegdheid
gegeven
is,
om
voor zijn volk de wet
te
zich zelf niet
geven, bindt deze wet de
conscientie wel waarlijk. Alleen maar, ze bindt de consciëntie niet
een
mensch het aldus
mensch
er de
inzette,
omdat maar overmits God de Heere aan dezen
bevoegdheid toe verleende, en overmits diezelfde God den
onderdanen den
plicht oplegde,
om hun
koning
gehoorzamen. Vandaar dan ook dat de gehoorzaamheid aan deze wet ophoudt, zoodra de koningin zijn wetgeving de grenzen overschrijdt, die hem van Godswege gesteld zijn,
te
en het gehoorzamen van den koning zelf in zonde overslaat, zoodra
zijn inzetting iets gelasten
mocht tegen Gods
eere. Hetzelfde geldt natuur-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 631 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 631 Pagina's