E voto Dordraceno - pagina 233
ZONDAG
HOOFDSTUK
X.
221
II.
onafwendbaar Iets vermogen; zoodat de goden wel deernis met hen hebben dat het zoo moet, en zij wel deernis met de goden hebben, dat deze dien heilloozen raadslag moeten uitvoeren; maar de diepste oorzaak van wat geschiedt, en waaraan mensch en goden onderschier altoos de bekentenis, dat er zulk een vreeslijk,
bestaat, waartegen zelfs de
worpen
goden
niets
dan toch altoos het Noodlot. nu wel in, hoe sterk de menschelijke geest, juist uit heilige beweegredenen, naar zulk een Noodlot, waartegen ook God niets vermogen zou, drijft. Want als ge ziet hoeveel jammer er bestaat, en hoeveel zedelijke ellende, en ge leest van een Duivel, en van een eeuwige rampzaligheid, en van duizenden die verloren gaan, o, dan is het zooveel gemakkelijker, om te onderstellen, dat dit komt doordien God, overmits een ongeziene noodwendigheid van uw lot hiertoe noodzaakt, er niets tegen doen kan. Het zijn dan ook de slechtste zielen niet in welke al zulke overwegingen opkomen, en Gods kinderen loopen zeer ernstig gevaar om hierin te eerder verstrikt te raken, naarmate ze te volstrekter aan Gods
En
blijven, is
zie
souvereiniteit gelooven.
Wie op den
vrijen wil het rad
geen behoefte, maar wie alle
inziet,
zeggen, als zou onze wil
wil beheerschen,
ijdel
dwaas
des levens
en wien
Gods is,
wil
zet,
heeft aan dien uitweg
Gods Woord geleerd is, dat regelen, en niet Gods wil onzen uit
altoos
die staat
voor
die
ontzaglijke
Gods wil het zóó kan willen, als we het zien; en dien wenkt dan de booze demon van het Noodlot. En toch godvruchtiglijk kan men nooit of nimmer ook maar één oogenmoeilijkheid, hoe
blik
aan zulk een noodwendigheid, waaraan
voet geven; want door dat te doen, raakt
God onderworpen zou
men dan wel
zijn,
schijnbaar uit de
maar om op hetzelfde oogenblik zijn God te verliezen. Het spreekt toch vanzelf: Een God, die afhankelijk zou zijn van iets dat boven Hem was, zou geen God meer wezen. God te zijn zegt juist, dat Hij, zelf aan niets onderworpen, alles aan zich onderwerpt. Ja, men zou God den Heere daarmee verlagen, tot onder den mensch. Want immers, wij, schepselen, we zijn wel onvrij en afhankelijk, maar wij hangen dan moeilijkheid,
nog van een levend God af, dien we kunnen eeren en liefGod de Heere zou op die wijze niet eens van een levend God, maar van een dom onpersoonlijk iets afhangen, dat als een rots of blok Hem tot een stommen, zielloozen hinderpaal zou wezen. ten minste
hebben, maar
En wat nu de Fortuin aangaat, zoo handelen we nu hier niet van de bepaalde spotters of godloochenaars, die feitelijk driestweg zeggen, dat er geen God is en alles bijgeval gaat; want dezulken bereikt ons werk toch niet.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 512 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1892
Abraham Kuyper Collection | 512 Pagina's