Uit het Woord - pagina 247
Stichtelijke bijbelstudiën. Tweede bundel.
343 de Christelijke Kerk zal zich daardoor niet laten afbrengen van het „dat Hij krachtiglijk bewezen is de Zone Apostolisch getuigenis, Gods te zijn door de opstanding uit de dooden," en dat, viel die opstanding uit de reeks der feiten weg, ons geloof in den Christus ijdel zou zijn. Yolkomen terecht heeft dan ook het eenvoudig geloof der Gemeente, dat niet redeneert, maar leeft en uit dat leven ademt, zijn toestemming geweigerd aan elke prediking van den Christus, die Schleiermachers voorstelling tot uitgangspunt had. Door dit te blijven doen, zal ze de losmaking der Christelijke waarheid in de belijdenis verhoeden, mits ze tevens een open oog hebbe voor het onafgewerkte der vroegere belijdenis, voor de schadelijke afwijking van de lijn der oude belijdenis bij onze rechtzinnigen, en voor den zegen, die haar ook uit Schleiermachers diepzinnige ontleding moet toekomen. Ze zal dit, indien ze slechts onvoorwaardelijk blijft vasthouden aan de Openbaring der Heilige Schrift. Aan de Heilige Schrift tegenover Schleiermacher. Aan de Heilige Schrift ook tegen de onzuiverheid van haar eigen belijdenis. De eernaam „Zoon Gods'" zal daartoe nader dienen onderzocht te worden. Tot dusver is „Zoon Gods" en „Zoon des Vaders'' schier zonder verschil van beteekenis in het gebruik der Gemeente dooreengemengd. Men acht dat steeds en allerwegen, waar van „Zoon Gods''' gesproken wordt, de tweede persoon in het Drieëenig Wezen is beVaders'"' doeld, en ziet in de afwijkende uitdrukking „Zoon des slechts een afwisselenden spreekvorm, geheel gelijk van zin. Deze voorstelling nu lijdt aan oppervlakkigheid en is onnauwkeurig. Die zoo spreekt ziet voorbij dat Adam „zoon Gods" heet, niet als zoon van den Vader, maar als zoon d. i. kind en schepsel van den Drieëenigen God; vergeet dat het kindschap Gods ons niet met den eersten Persoon der Drieëenheid, maar met Gods volzalig Wezen in kindsbetrekking stelt; verliest uit het oog, dat ook de overheden dragers van Gods majesteit Godenzonen genaamd worden ; let er op, dat het „Onze Yader" niet tot den eersten Persoon in de Drieëenheid, maar tot Yader, Zoon en Heiligen Geest gericht is, en „Jezus was geeft aanleiding tot de misleidende taal der ongeloovigen als
niet
:
de Zoon van God gelijk wij zijn kinderen genoemd worden," als ware hiermee de Godheid onzes Heilands vernietigd. Op scherpe en juiste onderscheiding moet daarom ten ernstigste aangedrongen. De Gemeente moet het zich weer helder bewust worden, dat de Zoonsnaam een dubbele beteekenis heeft, eenerzij ds ter aanduiding van de eeuwige onveranderlijke betrekking tusschen Yader en Zoon, als medewezend met den Heiligen Geest in het aanbiddelijk en anderzijds ter aanwijzing van en volzalig Wezen der Godheid, den Messias, den Middelaar, het beeld des onzienlijken Gods, in wien
—
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's