Uit het Woord - pagina 69
Stichtelijke bijbelstudiën. Tweede bundel.
65 VIII.
PETRUS, DE ZUIL DEB, GEMEENTE. Gij zijt Petrus, en op deze Petra zal Ik mijne Gemeente bouwen. Matth. XVI 17. :
Op
liet
betwist. Hij
stuk
der belijdenis kan nocli mag liet primaat aan Petrus eerst onder de Discipelen, straks onder de Apostelen, zelf heeft hem dien voorrang toegewezen, en de ge-
staat,
vooraan. Jezus schiedenis des Nieuwen ïestaments staaft slechts wat zich op grond van Jezus' uitspraak liet wachten. Het sterkst sprekend te dezen opzichte zijn de beide stellige verklaringen van den Heere: 1". Gij zijt Petrus^ en op deze Petra zal Ik mijne Gemeejite houwen, en ^^. het woord kort voor den uitgang naar Gethsémané gesproken: En gij, wamieer gij bekeerd zult zijn, zoo versterk uwe broederen (Luk. XXII 32). Elke poging om deze uitspraken anders te duiden dunkt ons gezocht en mislukt. Bekend is de uitlegging van „op deze Petra zal Ik mijn Gemeente bouwen," die vooral sinds de Hervorming in zwang kwam. Met Petrus' persoon, maar de door hem uitgesproken belijdenis zou als de Petra d. i. de rots zijn aangewezen, waarop de bouw der Gemeente rusten moest. Men beriep zich ter handhaving van deze zienswijs liefst op de Apostolische uitspraak: dat niemand een ander fundament leggen kan dan hetwelk gelegd is, namelijk Jezus Christus; voorts op de verandering van den naam Petrus in Petra, waardoor blijkbaar een zaak, niet een persoon bedoeld werd; en eindelijk op de driewerf herhaalde verloochening en het gebeurde waarvan Galaten II bericht. Deze uitlegging moet uit overprikkelde reactie tegen Kome's drijven voor het papisme verklaard. Ze heeft slechts tegenover Eome's onware verklaring kracht. Wordt van Eoomsche zijde beweerd, dat Petrus' ambt, niet zijn persoon, of ook wel zijn ambtelijke persoon, maar dan deze ook gescheiden van zijn geestestoestand, zou bedoeld zijn, dan moet ter bestrijding van deze dwaling noodzakelijk een eenzijdige uitlegging optreden, die ter ontkoming aan het ambt, ook den persoon glippen laat, en uitsluitend let op de belijdenis, als vrucht van wat „de Yader in de hemelen heeft geopenbaard." Toch berokkende ook deze eenzijdigheid schade, en het veiligst gaat de Gemeente, zoo ze leeft bij den eenvoudigen zin van Gods Woord, de gevolgen overlatend aan Hem, die haar dit Woord heeft toevertrouwd. Er ligt in het aangevoerde geen kracht van bewijs. Dat reeds de Psalmist en Jesaia, en in aansluiting aan deze Godsmannen des Ouden
—
:
—
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's