Uit het Woord - pagina 186
Stichtelijke bijbelstudiën. Tweede bundel.
182
met
de zeven zegelen," AA^aarvan geschreven staat, dat „alleen het waardig geacht is het boek te openen en zijn zegelen te ont-
Lam
sluiten."
Yan een „boek" wordt in deze verschillende beteekenissen gesproken, om daarmee de vastheid en onwankelbaarheid van de kennisse en voorkennisse Gods uit te drukken. Wat wij niet willen vergeten, schrijven we op. Wat we alleen uit ons geheugen weten, kan falen; wat zwart op wit staat blijft. Het deel onzer kennis dat op mondelinge overlevering steunt, ondergaat telkens verandering; wat in steen gegi'ift of op het blad geschreven werd, blijft wat het was. Door van een „boek voor Gods troon" te spreken, bedoelt de Schrift derhalve, dat de kennisse Gods niet een onzekere, wisselbare en zwevende, maar vast, onveranderlijk en onfeilbaar is. Openbaart oiis nu de Schrift, niH dat er in dat boek een voorwaarde staat opgeteekend, maar wel dat er namen in dat boek des Levens geschreven staan, dan is hiermee alle twijfel weggenomen over de verkiezing der enkele personen. Beeds „eer die dingen er waren," „van voor de grondlegging der wereld," waren dus in de eeuwige gedachtenisse
Gods
„Hem
die hoogheilige
namen, waarvan de Heere
tot
Johannes
overwint, Ik zal hem geven een witten keursteen, en op dien keursteen een nieuwen naam, dien niemand kent dan de Heere en die hem ontvangt." zegt
:
die
Daarmee in overeenstemming wordt ons gewezen op het vaste fundament Gods dat staat, hebbende dezen zegel: De Heere kent de zijnen, en, een iegelijk die den naam des Heeren aanroept, sta af van ongerechtigheid." (2 Tim. 2 19). Even stellig zegt Paulus: „Die, d. i. de personen, die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd, en die Hij verordineerd heeft, deze heeft Hij geroepen, en die Hij geroepen heeft, deze heeft Hij ook gerechtvaardigd, en die Hij gerechtvaardigd heeft, deze heeft Hij ook verheerlijkt," wadr de apostel blijkbaar de eeuwige voorkennis op dezelfde personen doet slaan, die van achteren blijken zullen voorwerpen der recht vaardigraaking en verheerlijking te zijn geweest. :
18 In geheel denzelfden zin getuigt Jezus zijn discipelen, Joh. 13 „Ik zeg dit niet van u allen, Ik weet welke Ik uitverkoren heb." Of wil men het sterkste, maar dan ook alles afdoende bewijs, men denke dan aan Ezau en Jacob, van wier praedestinatie de Apostel letterlijk schrijft „Want als de kinderen nog niet geboren tvaren noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is, vast hlei-c, niet uit de werken, maar uit den roepende, zoo werd tot Kebekka gezegd „De meerdere zal den mindere dienen," Eom. 9 11, 12. Voegt men hierbij het woord des Heeren tot den profeet: „Eer Ik u in uws moeders buik formeerde heb Ik u gekend!" en dat andere: „Ik heb u liefgehad met cene eeuwige liefde," dan zal wel niemand tegenspreken, dat, moet en :
:
:
:
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's