Uit het Woord - pagina 19
Stichtelijke bijbelstudiën. Tweede bundel.
15
hem,
Tot
dat
tot
niets,
tot dat
weggestovene van het stofke aan
de weegschaal gaat net woord des Eeuwigen uit: „Ziet, men zal zich tegen u stellen, tegen u vergaderen, maar wie zich tegen u vergaderen zal, zal om uwentwil vallen!" zal om zijns Gods wil onHij, de brooze, zwakke, hulpelooze, verwinlijk zijn! Tegen hem niets bestand! Voor hem alles zwichtend! Alles deinzend voor de geheimzinnige macht des geloofs! Alzoo toch
—
woord der
het
spreekt
belofte:
„Alle instrument, dat tegen u
bereid wordt, zal niet gelukken!" macht, die hooge macht, die allen tegenstand breekt en onfeilbaar ter overwinning leidt, werken door zijn eigen persoonlijkheid, met een werking, die reikt tot in het eeuwige leven: „Alle Zelfs
die
zal
die in het gericht tegen u opstaat, zult
tong,
gij
ver-
doemen." De ziel,
die in haar niet door den scheppenden adem des Geestes bezwangerd werd, hoort dat zij, de geoordeelde in zich zelve, van God Almachtig geroepen wordt, om de wereld en zelfs de engelen te oordeelen: „Weet gij niet, dat de heiligen de wereld oordeelen
Weet
zullen?
Ze
gij
niet,
dat wij de
verzekering
ontvangt
engelen
van
in
de
zullen oordeelen?"
handpalm des hoogen en
Hem
als het zwart van het oog te ze voorwerp was van Gods dat hoort zijn voor zijn goddelijk hart. Ze had gepeild en ze nog zonde haar eeuwige liefde, nog eer ze ooit van God werd ook Zoons des bloed ontvangen en geboren was. Het haar toebetrouwd. werd heiligen der om haar vergoten. De zalving
heiligen
te zijn gegraveerd.
Gods
Tot priester gewijd en met Christus als koning gekroond te zijn, i de erfenis der heiligen, geen onzekere toezegging, maar onwraakbare belofte. Van de volzaligheid in liefde, licht en leven heet het: „Dit is de erve van de knechten des Heeren en hun gerechtigheid is uit Mij, spreekt de Heere!"
Is
dit
u
Oostersche
beeldspraak?
Hartstochtelijke
uitgieting
van
het overspannen gemoed? Immers niet Het is het woord uws Gods, de belofte van den trouwen Getuige! Niet boven de werkelijkheid uitgaande, maar verre beneden blijvend! Een worsteling der hemelsche heerlijkheid om een zwakke schaduw, van haar eeuwige glansen te teekenen in der menschen taal. En ge aanvaarddet die belofte. Er werd u gezegd: „De hemel is
uwe,
ook
is
ja,
—
en uwe ziel fluisterde in heerlijkheid," „Amen, schier verlegen over haar grenzenloozen moed
uwe haar
heilige stilheid,
:
Amen!" Maar opent
zich
dan met dat
Amen
niet tegelijk de afgrond
van
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's