Uit het Woord - pagina 82
Stichtelijke bijbelstudiën. Tweede bundel.
78
hen en de thans levende Gemeente, zijn afgesneden. Abraham is de stamvader van Israëls volk, wijl het, geslacht na geslacht, zich zonder vermenging voortplantend, uit hem voortkwam; doch Jacobs twaalf zonen, Israëls patriarchen, zijn in engeren zin de stichters van Israëls volksstaat in zijn geslachten en huisgezinnen, wijl alle man en alle groep in Israël zijn levensbestaan, zijn aanzijn als Israëliet, aan dit twaalftal dankte. Zoo nu ook de Gemeente. Ze is uit den Christus, die haar leven en wiens Lichaam ze is, in wien ze besloten lag en uit wien ze, naar de wet der verrijzeniskracht, te voorschijn trad. Maar in engeren zin treden tusschen haar en den Christus de twaalf patriarchen der Xieuw Testamentische Gemeente, die uit hun eigen geestesleven, uit hun eigen geestelijk aanzijn, het leven en het wezen der Gemeente geteeld hebben, om door voortplanting eu meêdeeling des levens, ze te doen voortbestaan van geslacht tot geslacht, daaraan gekend en daaraan steeds te toetsen, of het leven dat ze voorwendt gelijkheid met dat leven van den verrezen Christus en met het leven zijner Apostelen vertoont. Deswege voegde zich bij hun mondelinge, hun schriftelijke prediking, die in organisch verband met hun werkzaamheid ontstaan, niettemin een schoon geheel op zichzelf vormt, en als blijvende schatbewaarster van hun geest de Gemeente op haar pelgrimsreize verzeilen moet. Vooral Johannes eerste zendbrief doet dit karakter der Apostolische geschriften helder uitkomen. Er is een Christus. Hij bleek te zijn het Woord des levens. Dat leven was eertijds niet op aarde, maar verborgen bij den Vader. Doch nu is het geopenbaard in den Mensch Christus Jezus. Dien Christus hebben de Apostelen gezien. Ze hebben Hem gehoord. Ze hebben het Woord des levens in Hem getast met hunne handen. Dat leven is op hen overgegaan. Uit Hem is het in hen overgevloeid, toen Hij op hen blies en zeide: „Ontvangt den Heiligen Geest." Sedert voelen ze zich in een engere gemeenschap verbonden en ze zijn er zich van bewust, dat „deze gemeenschap is met den Vader en met zijnen Zoon Jezus Christus." Hun blijdschap is daardoor vervuld. Ze zijn volzalig. Met een zaligheid in hope, ze weten het wel, maar toch met zoo alles doordringende verheuging, dat zich niets denken laat, dat aan het heil in Christus zou zijn toe te voegen, om dat heil te volmaken. Zelf gelukkig, willen ze dit ook anderen zien. Daartoe strekt hun verkondiging van het Woord des levens, d. i. van den Christus. Door die verkondiging willen ze ook voor anderen de heilige gemeenschap ontsluiten, waarin er velen werden opgenomen, des zich wel bewust, dat niemand tot den Christus kan komen dan door hen. Ze noodigen daarom niet rechtstreeks tot de gemeenschap met
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's