Uit het Woord - pagina 60
Stichtelijke bijbelstudiën. Tweede bundel.
^
56
niet in den weg. Ook van 's Heeren wederkomst toch wordt den Christus zoowel als door zijn Apostelen op den toon der sterk gespannen, onverwijlde verwachting gesproken, die verre van vergissing te verraden, eer onmisbaar kenmerk is van helder, veer-
vatting
door
krachtig geloof.
De gelijkenis, ons in Lukas 19 meegedeeld, schijnt zelfs voor deze opvatting te pleiten, want aanleiding tot haar uitspreken gaf de waan der discipelen ./lat het Koninkrijk Gods openbaar zou worden'' en dien waan bestrijdt de Heere uitdrukkelijk, verwijzend naar zijn wederkomst op de wolken. Toch is hiermee de aankondiging van het nabij zijn des Koninkrijks niet uitgeput, mits men den zin van dat woord slechts niet in een afgetrokken begrip late door vloeien. Eationalistische prediking, invloed der wijsbegeerte en een valsch, aan de Schrift vervreemd spiritualisme hebben ons gewend, onder „Koninkrijk der hemelen" niet veel meer te verstaan dan het „rijk van waarheid en deugd," het „rijk van liefde, licht en leven." Zóó opgevat, mist echter Johannes' woord zoowel als dat van den Heere zelven allen zin. Immers, waarheid en deugd, licht zoowel als liefde w-as op aarde geweest ook vóór zijn verschijning, en mèn moet wel een zonderlinge voorstelling van de geschiedenis vóór Christus hebben, zoo men ze tot aan zijn optreden van deze heerlijkheden verstoken waant. Doch hiermee
niet te na.
de
alleen
Het
is
geschiedenis,
dezelfde
feil,
als
ook den godsdienst komt men waarin het half-geloof vervalt,
dat ten spijt van onze Gereformeerde vaderen, alle rechtzinnigheid in het aangezicht slaat en prediken durft, dat de Christus door zijn offerande den Vader tot barmhartigheid zou hebben bewogen. Aan de eere Gods doet deze voorstelling te kort. Hij is- de Onveranderlijke. Hij wordt niet „de ontfermende Liefde," maar is dit van eeuwigheid.
Niet Hij wordt Yader door den Zoon, maar de Zoon is wat Hij is krachtens de eeuAvige onveranderlijke wezenheid des Vaders. Niets is derhalve op geestelijk gebied ooit geworden. Alles is, wat het is van eeuwigheid. Noch Bethlehem, noch Golgotha, noch het geopend graf scheppen een goddelijk iets, dat eerst door hen begint te bestaan. Zij zijn slechts de openbaring, de ingang in de werkelijkheid van wat eeuwig was in en bij God. Althans in onze Kerk moet deze belijdenis met hand en tand worden vastgehouden. Ze hangt op het innigst met de erkentenis van een „Besluit" in den Eeuwige en van zijn „onveranderlijken Raad" saam. Een scheuring tusschen Oud en! Nieuw Verbond als men prediken wil, is op het Gereformeerde erf contrabande. Het zuiverst, heerlijkst 'idealisme is steeds door onze vaderen beleden. De naam Jehovah reeds is onweerlegbaar protest tegen zoo onware prediking. .
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's