Uit het Woord - pagina 195
Stichtelijke bijbelstudiën. Tweede bundel.
191 Daartegen juist komt de Schrift op. Ge waandet dat de verkiezing tusschen de Schepping en de verdrijving uit het Paradijs zou liggen; niet alzoo, verklaart de Apostel u, ze ligt niet na, maar vóór de Schepping, niet slechts vóór de schepping van den mensch, maar vóór de schepping van dezen aeon, van dit zichtbare en tastbare. „Gij, die uitverkoren zijt, zijt het vóór de grondlegging der wereld;" na uw toebrenging is het u in de ziel gefluisterd: „Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde; eer Ik u in uws moeders schoot formeerde, heb Ik u gekend," De uitverkieziüg gaat dus niet slechts over het menschelijk geslacht, dat uit Adam en Eva is voortgekomen, maar evenzeer over deze stamouders zelven. Daarbij echter blijve men staan. Een ander denkbeeld uit dit „vóór de grondlegging der wereld" af te leiden, is ongeoorloofd. Men zou te kort doen aan het eeuwig karakter dezer daad, aan de goddelijke vrijmacht van Hem, die „is die Hij zijn zal," zoo men de verkiezing Gods met ons menschelijke plannen maken vergelijkend, ze als een bestek opvatte, dat aan het begin der Schepping voorafging, zonder met de wording en ontwikkeling van die Schepping in onmiddellijk levensverband te staan. De daad der uitverkiezing valt in het eeuwige, ze mag door geen insnijding van oogenblikken bepaald en d. w. z. dus van haar eeuwigheid beroofd worden. Niemand mag zeggen ze eerst na den zondeval begonnen, maar ook niemand mag zeggen: is na de grondlegging der wereld hield ze als daad op, was ze als daad afgeloopen en was ze in den zin van ons menschelijk handelen een voldongen feit. Beweert men dat het voor o>ize voorstelling noodwendig is om drie stadiën te denken: lo. toen God er was zonder zijn verkiezingsraad lo. toen die God zijn verkiezingsraad vaststelde, en 3o. sinds Hij begon dien vastgestelden verkiezingsraad ten uitvoer te leggen, dan geven w^e dit zoo stellig toe, dat we met volkomen zekerheid beweren dat een menschelijke rede ondenkbaar is te achten, die zonder de voorstelling dezer drie stadiën ook maar een oogenblik de gedachte der uitverkiezing greep. Onze beperktheid dwingt nu eenmaal tot die afspiegeling van het eeuwige in onze menschelijke denkvormen, en het verraadt vroomheid noch vroedheid van zin, indien men tegen het gebruik dezer voorstelling ijvert. Slechts vergete men geen oogenblik dat het niet meer dan een gebrekkige voorstelling is, en dat reeds de poging om zich God een oogenblik te denken, eer Hij zijn raad nog gegrepen heeft, even onzinnig is als de poging om het bestek en de uitvoering door tijdsorde van elkaar te scheiden. Voor onze voorstelling zijn beide begrippen even onmisbaar als ze voor het karakter van het eeuwige
Gods Woord.
:
—
volstrekt
De
onhoudbaar
zijn.
verstand van de Schrift is deze opmerking onmisbaar. schrijvers der Schrift aarzelen nooit een oogenblik om in hun
Tot
recht
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's