Uit het Woord - pagina 163
Stichtelijke bijbelstudiën. Tweede bundel.
159
nu een
stelpt
ge
de
andere
jaar lang de eerste vijf
met weelde en overvloed,
datzelfde jaar nauwelijks het brood geeft
vijf
terwijl
om den
om en nu roept ge uw kinderen „Wijl gij dit jaar het goede gehad hebt, zult ge voorts alle jaren uws levens als beroofden en onterfden in ellende omzwerven!" en tot de andere vijf: „Wijl gij dit jaar het kwaad gedragen hebt, zult ge voorts alle jaren uws levens u baden in vollen overvloed !" Wat dunkt u, zou deswege op uw vaderlijke liefde te roemen vallen? Zou men dit hoorende uw streng begrip van rechtvaardigheid loven? Zoudt ge zelf meenen dat om zulk een eindbeschikking uw vreemde handelwijze van het eerste jaar te billijken ware? En wat is dan nog dit kort jarental bij de eeuwigheid! Wat het smaken van aardsche vreugd bij het genieten des eeuwigen levens eeuwiglijk." W^e cijferen dus allerminst de waarheid der vergelding weg; we ontkennen in het minst niet, dat de wetenschap van deze vergelding honger
te stillen.
saam en
den
rijke
zegt
tot
Het
tot
de
staan
jaar
is
eindelijk
eerste vijf:
kan
brengen
in
zijn
overmoed
en
den arme
troosten kan in zijn ellende; maar dat de rechtvaardigheid Gods en de liefde des Yaders met deze vergelding verklaard zou zijn, is de ondoordachte, onware en ongeestelijke stelling van het valsche Eude-
monisme. Ook met
vergelding blijft de lotsverdeeling een ondoorgrondelijk raadsel, d. w. z. een raadsel waarvan de grond ligt in wat geen menschenoog doorvorschen kan, in het eigen Wezen van den Drieëenigen God. Wordt dit erkend en heb ik vrede in mijn lot, wijl ik als schepsel om den Schepper besta, niet Hij zich naar mij, maar ik mij naar Hem heb te regelen, en de eisch van zijn Wezen mij het eind van alle tegenspraak is, dan mengt ongetwijfeld het geloof aan vergelding een verzachtenden droppel in den bitteren edik. Maar ontbreekt dit geloof, zoek ik een andere vastheid, dan die in Gods wezen ligt; o, al predikt ge dan op het roerendst en hartaangrijpendst de zoete taal der komende vergelding, dan stilt ge mijn onwil toch niet, dan blijf ik morren. Want vergeet het niet: Waar dit geloof in de vastheid van Gods Wezen ontbreekt, daar gelooft men ook niet in het eeuwiffe leven en heeft het vooruitzicht van dat leven te erlano;en geen vat op het hart. Zie het aan de noodlottige bewegingen onder onze armere standen. Ze zijn van Gods Woord afgebracht! Wat baat hun nu uw roepen van vergelding? Ze gelooven ook haar niet, en vragen in een verre toekomst, maar ml. herstelling yan het evenwicht niet We handhaven dus in haar volle kracht de stelling, dat verzet tegen de leer der uitverkiezing gebrek aan doordenken verraadt op het gebied des natuurlijken levens; dat wij in het natuurlijke leven op dezelfde raadsels stuiten, die in de verkiezing ter zaligheid ons het spoor bijster maken; en dat aanvaarding van dit raadsel in het natuurlijk leven bij hardnekkige bestrijding van de verkiezing ter deze
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's