Uit het Woord - pagina 141
Stichtelijke bijbelstudiën. Tweede bundel.
137 hing af deels van het karakter der personen, deels van de burgerlijke vrijheid die men in de verschillende landen genoot. Zoo kon in het vrijere Engeland de eenzijdige Thomas van Bradwardina, later Aartsbisschop van Canterbury, reeds in het midden der veertiende eeuw zelfs met een min of meer onbijbelsch strakke leer over de uitverkiezing optreden. In hetzelfde rijk stierf tegen het einde der zelfde eeuw de groote Johan Wyclifte, die in zijn beroemde Triaio gus geheel de leer der uitverkiezing ten grondslag legt aan zijn beschouwing van den mensch, en onverholen de alles omvattende genade Gods, dus ook de uitverkiezing der enkele personen, met heldere bewustheid voordraagt. In de eerste jaren der vijftiende eeuw is IIus reeds aan het woord, en zoo door hem als door Hiëronimus van Praag wordt met kracht en ernst het practisch en theoretisch pelagianisme der kerk bestreden. Zelfs koos hij Augustinus' leer van de voorbeschikking minder juist ook als uitgangspunt voor de leer der zichtbare kerk en verloor noch in de practijk noch in zijn godgeleerde schriften, ooit den eisch der vrij machtige genade uit het oog. In de eerste helft der vijftiende eeuw was de schadelijke invloed van het pelagianisme voor het geoefend geestesoog reeds dermate zichtbaar, dat elke krachtige persoonlijkheid die door den Christus in zijn kerk ten leven verwekt werd, op den tast af naar- de diepere beschouwing over den mensch greep, die nu eenmaal aan Augustinus' naam verbonden was. Johan van Goch, uit Kleef, kwam in zijn geschrift „over de Christelijke vrijheid" (c. 1470) onverholen voor de waarheid der uitverkiezing op. Johan Reuchraad van Wezel moest zijn openlijk toetreden tot Augustinus' genadeleer met verbranding zijner geschriften en levenslange gevangenis boeten; en al staat Johan Wessel nader aan de Luthersche zienswijze, toch was ook in zijn ziel de dwaling van het pelagianisme overwonnen. De drang om weer den troost der eeuwige verkiezing te bezitten, sproot dus allerminst uit stelselzucht of voorliefde voor zuivere begripsbepaling. Stelselzucht
en begripsbepaling zijn doode machten, die door den stroom des levens' in de gemeente niet gedragen worden en die nooit de eere waardig zijn gekeurd, om als herauten voor de eere van Gods vrijmachtige genade na een tijdperk van geestelijke verslapping op te treden.
maar één macht die de gemeente tot de belijdenis van de uitverkiezing Gods terugbrengt: de macht van Gods heiligheid. De heiligheid Gods dwingt het pelagianisme zijn zondigen wortel Er
is
in practijk en leven te openbaren. Dan weet de kerk ten laatste tegen haar pelagianisme geen uitkomst meer, en zelve verschrikt over de monsterachtige vrucht van de macht die ze gekweekt en gekoesterd
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's