Uit het Woord - pagina 52
Stichtelijke bijbelstudiën. Tweede bundel.
4» Theocratie diep vijandig-e Sadduceïsme, dat den zegen van Israël voor de volkeren verdierf door den vloek der volkeren binnen Israëls erve te lokken. Zulk een potentaat, feitelijk allicht machtiger dan de koning zelf, een trotschaard van onbegrensden invloed, geducht bij al het volk, door den slaafschen hofstoet naar de oogen gezien, was en moest van nature zijn Jesaia's tegenvoeter. Tegenover des profeten roepen van gevaar stelde hij zijn koel en onverbeterlijk optimisme. Alles liep wel. Tast stond de troon, vast Jeruzalems veste, wat zou hem deren! Op vertoon belust wilde Sebna van dit kalm optimisme een schitterend en indrukwekkend bewijs geven. De profetenstem weerklonk gedurig van ballingschap en vallen in de straten en verwoesting der erve .... welnu, hij zou ten teeken van zijn vast geloof aan de toekomst een praalgraf doen uitbouwen bij des konings graf voor zich en zijn geslachte. In de weelderige staatsiekoets rijdt hij zelf uit, om het grootsche werk met eigen oogen te bezien. Op dien tocht wordt Jesaia hem tegemoet gezonden. „Ga heen," dus luidt Jehovah's bevel, „tot Sebna, 's konings huis- en schatmeester, en zeg tot hem: Wat hebt gij hier, of wien hebt gij hier, dat gij u hier een graf doet uitbouwen? Zie, de Heer zal u wegwerpen, dat gij sterven zult en met uw heerlijke wagens een schandvlek zult zijn voor het huis uws Heeren!" Tegelijk wordt hem aangezegd, dat de hoogwaardigheid, dusver door hem bekleed, van hem zal genomen worden, om die aan een betere te geven. „En Ik zal u afstooten van uwen staat en Ik zal mijnen knecht Eljakim, zoon van Hilkia, roepen," en nu wordt van de overdracht en investituur dezer hofmeierij déze beschrijving gegeven „En Ik zal hem met uw staatsiekleed bekleeden en met uw bandelier omgorden en uwe heerschappij zal Ik in zijn hand stellen, en hij zal de inwoners van Jeruzalem en der huize Juda's tot een vader zijn, en Ik zal den sleutel van het huis Davids op zijnen schouder geven, en hij zal opendoen dat niemand si uit e, en hij zal sluiten dat niemand opene! Reeds uit deze gegevens blijkt ten duidelijkste, dat er, de koning alleen uitgezonderd, niemand grooter in het rijk was dan de hofmeier. Er wordt uitdrukkelijk gesproken van een „koninklijke heerschappij" hem toebetrouwd; van hem wordt gezegd, wat eigenlijk slechts van den koning zelf gold, „dat hij den kinderen van Jeruzalem en den inwoners van Juda tot een vader zijn zou !" Zijn oordeel en beslissing staat voor gansch het koninkrijk met 's konings eigen ban of toelating gelijk. Zijn otficiëele titel was: „De man van het gansche huis!" en zoo hoog werd zijn ambt in eere gehouden, dat soms 's vorsten eigen zoon, als erfgenaam der koninklijke fjimilie, gelijk in Jesaia's dagen, tot deze hooge waardigheid zich roepen liet. Toch is ook hiermee de rijke inhoud van het heerlijk beeld nog niet :
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's