Uit het Woord - pagina 251
Stichtelijke bijbelstudiën. Tweede bundel.
247 XI.
ZOON DES VADERS. En Jezus nam toe in wijsheid, en in grootte en in genade bij Gud en de menschen. Luk.
Wat de kern
2
:
52.
gewonen mensch draagt is den mensch Jezus Christus is dit de Eeuwige Zoon. Hij staat derhalve tot het Goddelijk wezen in een andere betrekking dan wij. Is er voor ons geen gemeenschap met het Goddelijk wezen dan door den Zoon, zóó dat we eerst in en door Hem gemeenschap hebben met den Vader en den Heiligen Geest, bij Jezus Christus daarentegen is die gemeenschap met het Goddelijk wezen een onverbreekbare, die in zijn eigen persoon berust en onmiddellijk werkt op den Vader en den Heiligen Geest. Toch is hiermee de ontwikkeling niet baitengesloten, maar er veeleer door geëischt. Heeft de Zoon Gods de menschelijke natuur als orgaan aangenomen, dan ware dit mogelijk geweest op tweeërlei wijs óf door het aannemen van een volwassen menschennatuur als waarin Adam geschapen werd, óf door het aannemen van de menschennatuur in haar embryonischen toestand. Door het eerste zou echter geen gemeenschap met het bestaande menschelijk geslacht verkregen zijn. Onder ons optredende, zou de Christus vreemd aan ons geslacht, niet onzer een, buiten gemeenschap met ons gestaan hebben. de
wil
van
der persoonlijkheid in den
den Schepper,
in
—
:
Eischte nu geheel het verlossingswerk, dat de Christus wel één onzer zou zijn, was het bij zijn vleeschwording te doen, niet om een betoon van Gods almacht, maar om redding van het reeds bestaande menschelijk geslacht, dan volgt hieruit vanzelf, dat de Zoon Gods onze natuur niet kon aannemen dan door ontvangenis in den schoot eener vrouw. Het orgaan dat Hij hierdoor ter uiting van zijn Goddelijk leven ontving was dientengevolge in de eerste maanden van zijn vleeschwording geheel afgesloten van de buitenwereld; toen het kindeke geboren was bleef het de eerste weken en maanden van zijn aanzijn in de wereld volstrekt onmachtig om iets van den Christus te uiten; het kindeke Jezus was gelijk elk ander kind zoo tot denken als tot spreken en handelen onbekwaam, en liet al den Goddelijken rijkdom van zijn innerlijk wezen verborgen. Zou derhalve de vleeschwording haar doel bereiken dan moest het orgaan zich ontwikkelen, d. w. z. uit de hulpbehoevendheid en machteloosheid van het kinderleven opwassen tot steeds rijker en grooter afmetingen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's