Uit het Woord - pagina 201
Stichtelijke bijbelstudiën. Tweede bundel.
197 daad Gods waarin de vastheid uwer roeping ligt, voor bijkomstig zake niet doende verklaart? Moet het zich niet in een bukken voor den vijand wreken, zoo ge strijdend voor Gods Woord, het met den eerbied voor dat Woord zoo licht neemt, dat ge de oorspronkelijke daad Gods, die heel den gang van het Christendom beheerscht en die in dat woord ter uwer kennisse komt, buiten den inhoud van uw geloof en uwe prediking plaatst? Dat men een anderen blik op deze daad des Eeuwigen Gods hebbe, 't zij zoo, daarvoor gespen we het zwaard niet aan, maar wat niet mag geduld, is, dat men of dit feit onder de onverschillige kleinigheden rangschikke, of het driestweg ontkenne, ten spijt van de Schrift. De uitverkiezing is een feit of is het niet. Maar is ze een feit dan is ze tevens een hoofdzaak, een der ondergeschikte geloofsornamenten nooit. Ze vertegenwoordigt een geheel op zich zelfbestaande beschouwing van 's menschen inwendig leven, doorgaande tot den wortel, tot de diepte der dingen, dringende tot in den verborgen kern waaruit elk roersel der ziel zijn aanstoot ontvangt. Tegenover een wereld die ons haar levensbeschouwing opdringt, dienen w^e als Christenen dus te. w^ eten, op wat grond en bodem we voor ons zelven staan. Het hart der menschenkinderen moet gewonnen. Maar welk instrument gebruikt ge daartoe? Er zijn twee reeksen vraagstukken. Vraagstukken omtrent feiten die voorwerpelijk zijn, die buiten ons liggen, zooals daar zijn de opstanding des Heeren, zijn bovennatuurlijke geboorte enz. Maar ook vraagstukken omtrent feiten die onderwerpelijk zijn en u zelven raken, zooals het wezen der zonde, de bekeering, onze vrede bij God. Nu stemt, dunkt ons, ieder dit toe, dat alleen de laatste vraagstukken vat op het hart hebben, de geesten kunnen aangrijpen en een overtuiging doen geboren worden. De eersten niet, althans niet dan in veel zwakkere mate. Hebben nu beide reeksen een middenpunt waarom alle overige vraagstukken zich rangschikken, en is dit voor de objectieve feiten even ongetwijfeld, de Opstanding van Christus, als voor de subjectieve feiten de Uitverkiezing, dan willen we toch gevraagd hebben, of men niet moedwillig zijn invloed op de geesten prijsgeeft, door telkens te verraden, dat men ten opzichte dezer subjectieve feiten een krachtige, welbewuste, besliste overtuiging mist. Eindelijk, het vraagstuk der Kerk dringt meer en meer op den voorgrond, niet gelijk onlangs beweerd werd, als of het den een om den Christus, den ander om de Kerk te doen zou zijn. Deze tegenstelling is ongerijmd. De Christus heeft niet slechts individuëele adepten maar een kring verlosten, die in solidair verband staande, zijn lichaam vormen. Krachtens den eisch der Vleeschwording, moet ook dat lichaam zich naar buiten openbaren, mag het niet verborgen blijven, en is de vraag naar de gestalte, die Jezus' Kerk gewinnen zul, dus van de belijdenis zijns naams volstrekt onafscheidelijk. Staat het nu vast dat dit optreden der Kerk een geheel de
en
ter
—
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's