Uit het Woord - pagina 13
Stichtelijke bijbelstudiën. Tweede bundel.
9
de beeldspraak blijkbaar betrekking op een, die staande in bet heiligdom, het heiligste ontwijdt door het aan iets onreins en onheiligs toe te werpen. De naam van het onreine dier immers werd van zelf scheldwoord voor een mensch, dien men verachtte. Vandaar de naam van „honden" op Israëls lippen, zoo dikwijls ten opzichte der heidenen en ook van ons Christenen, gehoord. Toch werd deze term der verachting niet uitsluitend van de Goiim of heidenen, maar ook van het verachte deel des eigen volks gebezigd. Simeï was een Jood en werd door Abisaï voor „hond" gescholden. Israëls blinde leidslieden worden door Jesaja als „stomme honden" geteekend. Paulus ontziet zich niet de Joodsche dwaalleeraars in Filippi's gemeente als „honden" af te schilderen. Veilig kunnen we dus zeggen, dat met den naam der verachting, als „honden," alle personen 't zij uit de heidenwereld, 't zij uit het ,
eigen volk, kunnen bedoeld zijn, die voor den Parizeer een voorwerp van verachting waren. Wie dit' in het door Jezus geteekend beeld waren, kan aan geen
onderhevig zijn. verachten in de oogen der Farizeën waren de „zondaars en tollenaars," de „schare die de wet niet kende," de voorschriften hunner reiniging niet opvolgde, en dus als onrein en veracht buiten de heilige gemeenschap met den engeren kring van de „rechtvaardigen" twijfel
De
gesteld werden,
Aan die verachte schare nu men vleesch toewerpt aan een Wat beteekent dit?
wierp de Parizeer het heilige hond.
toe, gelijk
In het Oosten, en blijkens de gelijkenis van den armen Lazarus ook tijdens Jezus' leven in Palestina, liepen de honden zonder dak en huis, als verafschuwde dieren wild en hongerig door de straten. Wie met iets eetbaars over straat ging, mocht wel toezien, om zich tegen de wraakzucht dezer dieren te wapenen, en omgekeerd, wie er vermaak in schepte een sleep dezer honden achter zich te hebben, behoefde hun slechts nu en dan een stuk vleesch toe te werpen, om van een bassend gevolg verzekerd te zijn. Leidt dit ons niet op het spoor? De Farizeër koesterde w)or „de schare die de wet niet kende," voor de honden onder hun volk, een diepgaande minachting. En toch ze hadden die „honden" die „schare," noodig. Zonder die schare zou een Farizeër al de lust van zijn leven vergaan zijn. Immers, hij zocht bewondering. Al zijn vertoon Avas, om van de schare gezien en als een heilige vereerd te worden. Niets Avas den Farizeër liever, dan zulk een heir van „honden," zulk een groep van „de verachte schare" op straat, zij het ook op zekeren afstand, in zijn gevolg
te
zien.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's