Uit het Woord - pagina 99
Stichtelijke bijbelstudiën. Tweede bundel.
95
Zoo dikwijls daarom van geloovigen sprake is, heeft men aan dezulken te denken, die den Christus Gods als hun Heiland belijden, en deze betuiging noch door belijdenis noch door wandel weerspreken. Slechts voor tweeërlei soort van lieden is derhalve plaats in Jezus* gemeente: men moet of een geloovige zijn, of dit voorwenden en zijn ware bedoeling bedekken achter het masker der hypocrisie. Van ongeloovigen mag in Jezus' kerk geen sprake zijn, zoo min als van ongerechtigen in hun openbaren wandel. Over den verborgen mensch der zonde oordeelt de Heere. Toch dient ook hierbij tusschen twee levenskringen in de gemeente onderscheiden te worden. Eeeds de oude Christelijke kerk splitste de gemeenteleden in ingewijden en niet-ingewijden, en ook onze Gereformeerde kerk heeft die onderscheiding bewaard. Deze onderscheiding regelt zich naar het Sacrament des Heiligen Avondmaals. Die daaraan deelnemen behooren tot den engeren krino- der o-eloovigen. Die daaraan geen deel nemen staan nog onder vooo-dij. Die voogdijschap kan van tweeërlei aard zijn. Bij de jongeren in de gemeente, die nog niet tot jaren van zelfbewuste keuze gekomen zijn, draagt deze voogdij het karakter van Toezicht en Opvoeding. Bij de ouderen, die aan dit toezicht ontwassen zijn, treedt deze voogdij als censuur op. Grenslijn daarbij was meestal het twintigste jaar. Omstreeks dien leeftijd moest men zich verklaren, of men alsnu den Christus als zijn Heiland aannam. Weifelde men hierover, dan kwam men toch onder censuur. Zoo was b V. in de Hollandsche gemeente te Londen een afzonderlijke
commissie van den kerkeraad belast met de curateele over personen gemeente behoorende, die na den twintigjarigen leeftijd bereikt te hebben, nog toefden met hun belijdenis. Die eenmaal den Heere beleden had, moest aan het Avondmaal
tot de
komen. Bleef
hij
belijdenis
of
weg, aan
dan zag men hierin het zijn
levenswandel
iets
bewijs, dat er of
schortte,
aan zijn en stelde den zoo-
danige onder censuur. Deze censuur bedoelde allerminst een brandmerk, maar was een daad van teedere, heilige, meelijdende liefde. Men drukte er door uit, dat deze leden der gemeente niet recht stonden, derhalve niet aan zichzelf mochten overgelaten, en dus voorwerp van bijzondere zorge voor de opzieners der gemeente moesten zijn. Het zorgeloos voortleven in onbekeerden, ongeheiligden toestand was alzoo onmogelijk.
Men Men
had te kiezen. moest of de volle verantwoordelijkheid van een geloovige drao-en
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's