Uit het Woord - pagina 249
Stichtelijke bijbelstudiën. Tweede bundel.
245 menschen,
in
zijn
ik,
de
hoogere eenheid
ligt,
die ziel en lichaam
vereenigt.
Zoo
nu ook
in
den
Christus.
De mensch
Jezus Christus neemt
moede, weent, lijdt, sterft, niet de eeuwige Zoon. En evenzoo omgekeerd, de eeuwige Zoon is in den schoot des Vaders, heeft heerlijkheid in eeuwigheid bij den Vader, is uit den hemel neergedaald en is nochtans in den hemel, niet de mensch Jezus Christus. Desniettemin schrijven de Evangelisten niet: de mensch Jezus weende, maar „Jezus weende," en niet: de eeuwige Zoon was eer Abraham spijze,
was,
En
is
maar „eer Abraham was ben Ik." terecht, want het is juist in den godmenschelijken persoon van
den Messias dat de eenheid der beide naturen ligt. Dat deze aanneming onzer natuur mogelijk was
ligt
aan
twee
oorzaken.
Vooreerst aan de nauwe betrekking waarin de menschelijke natuur de nature Gods geschapen is. De mensch is van Gods o-eslachte. De eerste mensch wordt genoemd „Adam, de zoon van God." Tot „kinderen Gods" zijn bestemd, die uit menschen geboren zijn. De Apostel vermaant ons „der goddelijke natuur deelachtig te worden." „Zijt heilig, gelijk Ik heilig ben," bindt God in zijn Woord aan menschen op het hart. „Weest gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader in de hemelen volmaakt is," is de hooge eere waartoe de Christus ons verwaardigt. Op de innigste gemeenschap met het leven Gods is de mensch derhalve aangelegd; de mogelijkheid van die gemeenschap is in zijn schepping geordineerd: de voleinding van Gods raad zal de verwezenlijking der verordineering toonen. Met den mensch, niet met eenig ander schepsel, zelfs niet met de engelen, is die innige gemeenschap mogelijk. Hij neemt de natuur der engelen niet aan, maar het zaad Abrahams. De mensch is bestemd om een woonstede Gods in den Geest te worden, een tempel Gods, een tempel voor God den Heilio-en Geest tot
zijn hart.
Werpt men derhalve tegen, dat tusschen de natuur Gods en de des menschen de tegenstelling van het oneindige en eindige bestaat; een klove vormend, die niet is te dempen; we vragen op natuur
onze beurt of tusschen ziel en lichaam niet de tegenstellino- van het onzichtbare en zichtbare bestaat, die evenmin voor oplossino- vatbaar is. Toont desniettemin de ervaring dat dit onzichtbare en zichtbare in onze menschelijke persoonlijkheid feitelijk vereenio-d is, evenzoo toont de schepping des menschen, dat er werkelijk verwantschap tusschen den oneindigen God en den eindigen mensch bestaat.
Toch zou men zich vergissen, zoo men deswege het mj/sterie in den persoon van Christus loochende. Bij den 'mensch is het de mensch die God in zijn hart opneemt. Bij den Christus is het de
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's