Uit het Woord - pagina 231
Stichtelijke bijbelstudiën. Tweede bundel.
237 en
met den
reeds
den een weet
sikkel des oogstes komen, als er nog slechts van. die tot zaaien uitgaat, sprake mag zijn. Is er in het kind natuurlijke neiging om te gelooven, te lieven en te hopen, maar
zaaier,
men
dat deze neiging nog ongeheiligd en dus ondan kan onze roeping geen andere zijn, dan om door ontlokking van het kinderlijk gebed en het teekenen van de heilige beelden der Schrift dat geloof een inhoud te bieden; dan is het onze plicht, dat kinderlijk lieven en dwepen op den persoon van Jezus te richten, zonder hoog wijs dat dwepend lieven van het kind te critiseeren met onze begrippen en onderscheidingen van Jezus' menschelijke en goddelijke natuur; dan zijn we geroepen, om de hope van het kinderhart te richten op die plastische beelden van heerlijkheid en zaligheid, waarin de Schrift ons de toekomende eeuw schildert. Doet men dat, dan doet men genoeg. Want laat dan al, naar de onontwijkbare wet des levens, dit kaartenhuis, dat wij op den bodem van het kinderleven tooverden, straks onder het vuur van den hartstocht, voor de macht van twijfel en zelfzucht, door de onbesuisdheid en zinlij kheid zijner jaren te loor gaan, toch is dan uw arbeid niet ijdel geweest. Want komt dan eenmaal Hij in den storm des levens. Hij in goddelijk
evenzeer,
is,
het suisen der zachte koelte. Hij, die het alleen kan, zelf tot dat hart, het een ander en reiner en edeler snoer van geloof en liefde en
om
hope aan te binden, dan bezit dat hart het vermogen, om het verleden zich weer toe te eigenen en uit het kinderleven nog levenskracht te putten voor den strijd dien het wacht. Maar even ernstig zij men tegen de andere feil op zijn hoede. Omdat een kind nog niet wedergeboren is, verachte men zijn geloof, zijn lieven en zijn hopen niet, en zie niet uit de hoogte op zijn onbegrepen dwepen met Jezus neder. Te denken, dat deze uiting van het kinderhart toch slechts voorbijgaande is, en dus geen waardij bezit, is verzet tegen dat Albestuur des Drieëenigen, dat ons eerst als kinderen, met zulk een neiging doet geboren worden; een verzuimen van de gaven die in het kinderhart gelegd zijn; in den grond een meer zelf willen bekeeren, dan medearbeider Gods te zijn, waar Hij door voorbereidende en ontdekkende genade het wonder zijner wederbaring in het menschenhart volbrengt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's