Uit het Woord - pagina 188
Stichtelijke bijbelstudiën. Tweede bundel.
184 er uitverkiezing is stemt men toe; ontkent men niet; maar als men nu verder aandringt en vraagt, aan wien de beslissing staat, durft men niet te zeggen, dat God beslist, maar laat de beslissing aan den vrijen wil des menschen. Alsof dan niet de mensch in stede van God zou kiezen; alsof dan niet de „verkiezing" van God op den mensch zou w'orden overgedragen, en al wat in de Schrift van de eeuwige uitverkiezing geschreven staat, op dat standpunt, in dier voege te wijzigen ware, dat de mensch in plaats van God Almachtig onderwerp der verkiezende handeling werd. „Gij hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren!" keere men dan in zijn tegendeel om. Dat eindelijk ook de uitvlucht, om Gods voorkennisse in een voorwetenschap, een vooruitzien van de dingen die gebeuren zullen, om te zetten, zichzelf weerlegt, is voor elk man van ernstigen zin duidelijk. Immers een voorwetenschap Gods, die slechts in het onbepaalde rust, dat in iedere stad, op zeker tijdstip een zeker aantal personen een keuze doen konden, is in God ondenkbaar. De kennisse die we in God onderstellen, moet een volmaakte, stellige, onfeilbare zijn. Maar was het nu Gode van eeuwigheid bekend, wie in de plaats onzer woning Hem op dit tijdstip onzes levens als hun God en Vader verkiezen zouden, dan volgt hieruit ook, dat het alzoo moest geschieden, en dan nu ja niet de voorverordineering, maar dan toch de voorwetenschap des Heeren de toebrenging tot zijn Koninkrijk be-
God kan worden gewaagd. Dat
dat
niet
allen
zalig
worden,
heerscht.
wint dus met deze uitvlucht niets. De gebondenheid aan Gods er allerminst mee ontkomen. Slechts lijdt men de schade, dat men in stee van een God, wiens wil en wet en werk één krachtig en bezield geheel vormt, een God aanbidt, die vooruitgluurt in de toekomst, om de bepaling van den gang der schepping aan zijne
Men
Wezen wordt
schepselen te vragen.
XIY.
DE VOORBEREIDENDE GENADE. De Heere was aan deze het niet gew^eten.
De Voarzienigheid en
plaats en ik heb Gen. 28 16. :
de Raad Gods zijn wel twee, maar hangen saam. Beider plan en bestek is eeuwig, onveranderlijk, rustende in Gods eigen wezen, en door den eisch van zijn Zóó onnaspeurlijk Wezen bepaald. hoogheerlijk, onbegrijpelijk en echter dat de Raad Gods de geestelijke kern des Koninkrijks bedoelt, terwijl de Voorzienigheid het uitwendige, het tastelijke regelt, w^aarin
toch
op
het
innigst
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's