Uit het Woord - pagina 166
Stichtelijke bijbelstudiën. Tweede bundel.
162 zekerheid van elk lid zijner omgeving beslissen kan, wie al dan niet ten leven geboren werd. Dit kan niet om den aard der zonde. De zonde is in haar diepsten wortel leugen, valschheid, onware schijn. Sathan werd door Jezus zelf gekarakteriseerd als de Vader der hu yen. Gelijk nu dampen en gassen niet tot rust komen, zoo lang ze niet elke bereikbare en toegankelijke ruimte vervuld hebben, zoo dringt ook de zonde in alle levensbetrekkingen door en rust niet eer ze ook de hoogste betrekking, die van het kindschap Gods, in leugenachtigen schijn heeft nagebaotst. Dientengevolge zijn er niet slechts werkelijke kinderen Gods en werkelijke geloovigen, maar ook onbekeerden, die '
door onwaren schijn zich als kinderen Gods voordoen en zich als geloovigen toonen. Kortom er zijn, waar ook de Gemeente optreedt, tevens huichelaars en hypocrieten. Toch werpt dit de stelling niet omver, dat het verschil tusschen geloovigen en ongeloovigen scherpgeteekend is. Immers niet de wezenlijke toestand des harten is daarmee bedoeld, maar alleen wat onder onze waarneming valt, en dat is niet het innerlijk leven, maar de uitwendige gestalte, We ontkennen daarom niet, dat innerlijke geestessympathie ook het zielsoog verscherpt en dat er soms geesteskracht in Gods kinderen werkt, ter ontmaskering van den geveinsde; maar te vast ga men hierin niet. Er kunnen zich geloovigen aan ons voordoen, die ons afstooten insteê van aantrekken, wier geloofsleven op ons een zeer verdachten indruk maakt en wier naam nooit over ouze lippen komt, zonder dat de gedachte door de ziel vaart: „toch houd ik hem voor een huichelaar !" ook al zou een dieper blik ons onmiddellijk overtuigen, hoe schromelijk we ons hadden vergist. En evenzoo omgekeerd, kunnen wij jaren lang in hartelijke geestesgemeenschap met iemand geleefd hebben, wiens woord ons troostte, wiens gebed onze ziel meesleepte, wiens vriendelijke geest ons weldadig aandeed, wiens vrucht zelfs schoon in ons oog blonk, en van wien het ons toch in een vreeselijk oogenblik openbaar werd, dat hij een doodelijke zielskranke naar de beschrijving van Hebreen' zes was, geen geborene uit den Geest. Dit dwingt ons, met opschorting van het beslissend oordeel, wel ter dege te onderscheiden tusschen den persoon en de gestalte van den geloovige. Wie ons die gestalte toont, moet door ons als geloovige erkend worden, behoudens recht en plicht natuurlijk om steeds geestelijk te onderscheiden. Daarentegen, wie die gestalte mist en een ander karakter vertoont, als naar de teekening van Gods Woord den geloovige eigen is, mag, behoudens het recht en den plicht tot de teederste barmhartigheid, door ons niet met den naam van geloovige betiteld worden. Op dien grond nu beweren we, dat de geloovigen en ongeloovigen. twee afzonderlijke werelden vormen, die, hoe ook gedurig dooreengemengd, toch nooit haar kleuren fineen laten vloeien. Het spreekt
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's