Uit het Woord - pagina 78
Stichtelijke bijbelstudiën. Tweede bundel.
74 Petrus en Johannes, ten deele ook Jacobus en ze Apostelen waren, niet wijl de Gemeente zich bewust is door de tusschenkomst dezer mannen ontstaan te zijn, maar schier uitsluitend wijl men in den Canon des Nieuwen Testaments geschriften van hun hand bezit, waarin voedsel bleek te schuilen voor hoofd en hart. De Apostolische Schrijvers, niet de Apostelen heeft men in hen lief. Aan de overige Apostelen, aan Andreas en Matthias, aan Pilippus en Bartholomeüs, aan Jacobus en Lebbeüs, aan Simon en Thomas, denkt men weinig meer dan voor zoover ons de heugenis bijbleef van een reeks vreemdsoortige namen, nu en dan in het Evangelisch verhaal voorkomend, en óns voorts niet aangaande, dan voor zooveel tot een uitgebreider Bijbelkennis nu eenmaal ook de kennis dezer namen behoort. Alleen Thomas zou op .dit droef verschijnsel een uitzondering maken, ware het niet, dat de bekendheid, hem ten deel gevallen, meer naar de opspraak van den zonderling dan naar de heilige vermaardheid van den Apostel geleek. Vandaar dan ook, dat de jubeltoon in een onzer liederen „P r o f e t e n, Martelaars vertellen daar uw eer" schier de eenige betuiging van geestelijke betrekking op de Apostelen is, die in onze bedehuizen ooit vernomen wordt; dat de Gemeente wel ten behoeve vau het Schriftbeginsel, maar niet voor de instelling van het Apostolaat opkwam, toen de onfeilbaarheid der Apostelen het eerst door de Groninger school ten onzent werd aangevallen, en dat nu nog een geheele reeks van uitspraken der Nieuw-Testamentische Schriften, die op den samenhang tusschen het geestelijk ambt der Apostelen en de Kerk betrekking voor verre het meerendeel als niet geschreven en, hebben, als buiten het geestelijk leven liggend, eenvoudig terzij worden gelaten. Hiertegen komen we op. Allerminst de Hervormers zijn hierin voorgegaan, en wat hiervan in hun getuigenis mocht doorstralen, mag nooit maatgevend voor de
Ze
eert
Mattlieüs,
Pauliis,
niet
wijl
:
toekomst zijn. De Hervormers stonden tegenover een misbruik. Ze vonden in de Kerk, die hun het levenslicht schonk, niet slechts erkenning van het Apostolisch gezag, maar een geestelijke vereering der Apostelen, die het eenig en algenoegzaam Middelaarschap van den Hoogepriester der Kerk te na kwam. Dit misbruik bestreden ze, daartoe gedrongen door den heiligen drang, om al wat naar creatuurvereering zweemde, met tak en Avortel uit te roeien.
Dat, naar den aard onzer menschelijkc eenzijdigheid, hierbij soms de gelijkstelling van de Apostelen met alle geloovigen te ver werd gedreven, moet erkend. Het is aan menschen niet gegeven een zondige dwaling te keeren, zonder een deel der waarheid voor een wijle uit het oog te verliezen, en menschen waren ook zij.
—
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's