Uit het Woord - pagina 199
Stichtelijke bijbelstudiën. Tweede bundel.
195
Gods gelijk het is. Ze beeft gestreden, wie het fijnst de
met de Eemonstranten niet een wedstrijd kiem eener gedachte uitpluizen en ontleden kon, maar er zich tegen verzet, dat men een daad Gods zou wegcijferen, die er was, en daardoor den blik op het eeuwige zou vervalschen. Wil men, dan moet erkend, dat de Dordtsche Vaders zoo inconsequent mogelijk waren. Ze leerden dat de verkiezing van eeuwigheid was, en toch 's menschen val is zijn zonde, zijn eigen wel bewezen schuld. Ze leerden dat het geloof, ook in zijn eerste roerselen een gave Gods is, en toch dat de ongeloovige schuldig staat, dat hij niet gelooft. Het was er hun niet om te doen, om de eerepalm der zuiverheid van denken weo- te dragen, of als volleerde meesters in het knutselen van systemen bij het nageslacht te boek te staan, maar om aan de Gemeente die na hen kwam, trouwelijk en naar waarheid de Openbaring der Schrift over te leveren en onverkort den heiligen vrede te gunnen, die in de belijdenis dezer waarheid te genieten is. Ook bij de belijdenis der uitverkiezing blijft zonde dus zonde, onverkort en onverminderd, in al haar diepte en doem waardigheid.' Ook bij deze belijdenis handhaven we 's menschen verantwoordelijkheid, en
rekenen we in vollen omvang met de schuddingen die het menschenhart in de ure des berouws en der boete, der zelfbeschuldigino- en verbrijzeling ondergaat. In niets verkort deze belijdenis onze Verplichting om Gods Woord aan alle creaturen te prediken en zelfs op dit Woord acht te geven. Een stil en lijdelijk neerzitten, wachtend of eenige werking der uitverkiezing zich aan ons openbaren mocht, is een mechanische opvatting, die onze Kerk verdedigd heeft, maar 'die met haar practijk in onverzoenlijken strijd, steeds en zoo scherp mogelijk door haar veroordeeld is. En ook na de bekeering sluit deze belijdenis „het werken van uws zelfs zaligheid met vreezen en beven" en „het u zelven reinigen," zoo weinig uit, dat veeleer zonder dezen onafgebroken strijd des zedelijken levens geen belijdenis der uitverkiezing op haar terrein denkbaar is. Niet bekrompen, mild en ruim veeleer waren de vaderen van 1618, die leerden: „Godzalio-e ouders moeten aangaande de verkiezing en zaligheid hunner kinderen die God in hunne kindsheid uit dit leven wegneemt, niet twijfelen;" of ook: „Dat de dood des Zoons Gods van oneindige kracht en waardij is, overvloedig genoegzaam om de zonde der geheele wereld te verzoenen;" alsmede: „Dat vele door het Evangelie geroepenen zich niet bekeeren, noch in Christus gelooven, maar in het ongeloof verloren gaan, geschiedt niet door gebrek of ongenoegzaamheid der offerande van Christus, maar door hunne eigene schuld;" en eindelijk: „Dat velen, niet door de bediening des Evangelies geroepen zijn, niet komen noch zich bekeeren, daarvan is de schuld niet in het Evangelie noch in Christus, door het Evangelie aangeboden, noch in God die door het Evangelie roept, en ook zelfs verscheiden gaven aan hen toebrengt, maar in de geroepenen zelven."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's