Uit het Woord - pagina 207
Stichtelijke bijbelstudiën. Tweede bundel.
203 Johannes aan het woord. „In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God en het Woord was God" is van het Kerstevangelie onafscheidelijk. bij als hij de Kribbe van Bethlehem gaat In het zinnebeeld van den adelaar heeft hem de Christelijke kerk gekenteekend, van den adelaar, die de zon in het aangezicht vliegt, in de hoogten zijn nest bouwt, en, ook in de diepten neergestreken, nog met den adelaarsblik door de wolken boort. Als Johannes bij Bethlehem's kribbe toeft, dan is hij niet lijdelijk, dan tuurt hij maar niet op de tafereelen die zich voor zijn oog ontrollen, maar dan peinst hij, dan leeft hij in de diepte en in de hoogte tegelijk, dan omvat zijn blik hemel en aarde, dan rolt zijn geest door de ontzaglijke tegenstellingen van zonde en genade, dood en leven, waarheid en leugen, versmading en heerlijkheid, dan denkt hij niet aan die voederkrib, maar aan de. wereld die haar draagt, niet aan Maria, maar aan de menschheid waartoe ze behoort, dan ziet hij niet op die doeken en windsels, maar op het vleesch, dat door die schamele bedekking heengluurt. En daarom rept hij niet van een stal, noch van herders, noch van een Engelenzang, maar geeft zijn Kerstevangelie in dit rijke woord van strenge gedachte en toch vol goddelijke poëzie: Het Woord is vleesch geworden en wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van den Eengeboorne van den Vader, vol van genade en waarheid. Bij Johannes valt nooit de lichtstraal zonder zich scherp tegen de donkere schaduw af te teekenen. Ook aan zijn Kerstevangelie gaat daarom het trekken der zwarte schaduwlijnen vooraf. Er is van dat „vleesch" reeds gesproken, gesproken in afkeurenden, veroordeelenden zin. „Niet uit den wil des vleesches, noch uit den wil des mans." Hij gewaagt van „heerlijkheid," maar na eerst de „duisternis" te hebben getoond. Van „waarheid," maar na vooraf op het „getuigenis" te hebben gewezen, dat zonder een heerschappij der leugen ondenkbaar is. Eindelijk hij wijst op „genade" maar na in het voorafgaande den geest, „die niet wil aannemen" te hebben ontmaskerd. Die tegenstellingen zijn in den voorzang op zijn Kerstevangelie
Johannes
staan,
zich
blijft,
ook
zelf gelijk.
noch slechts aangestipt, hij zal ze straks in het levensbeeld, dat hij van den Heere ontwerpt, in al haar diepten peilen. Straks zal het van dat vleesch heeten „Wat uit vleesch geboren wordt dat is vleesch;" zal de „hperlijkheid" die in den Christus blonk in het snijdend contrast treden met de smaadheid van dood en graf; zal hij „die de waarheid zelve is" zijn tegenvoeter ontdekken in den Vader der leugen, die een menschenmoorder was van den beginne en zal de genade zich uitspreken als de trouw van den Herder, die zijn leven geeft voor de schapen, in tegenstelling van de zelfzucht, die als een dief steelt en als een geboorne uit den Vader der leugen moordt. :
;
Ontzaglijke
tegenstelling
tusschen
licht
en
schaduw,
die
Johannes'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's