Uit het Woord - pagina 250
Stichtelijke bijbelstudiën. Tweede bundel.
246 Zoon, die zelf God, onze menschelijke natuur opneemt in de gemeenschap van zijn leven. Ook bij het kind van God is en blijft de mensch zelf de grondslag zijner persoonlijkheid vormen. Bij den Christus daarentegen is de grondslag zijner persoonlijkheid niet de mensch, maar God. Bij het kind Gods is het de zondaar die zichzelven vernietigt om God in zich te laten werken. Bij den Christus is het de eeuwige Zoon, die zichzelven vernietigt om te kunnen werken in den mensch. Daarom doelden we op nog een andere oorzaak. Ze ligt hierin dat Christus niet maar is een mensch, maar de mensch, de Zoon des menschen, bet Hoofd der menschheid. De menschen zijn slechts verschillende varianten op de ééne wezenssoort mensch. Maar ook die ééne wezenssoort bestaat op zichzelf, bestaat in zijn volkomenheid, bestaat in zijn voleinding. In geheel het menschelijk geslacht vindt ge van die wezenssoort slechts beperkte, gebrekkige, onvolkomen afdrukken. Maar die alle wijzen op één grondkarakter, op een ideale menschelijke persoonlijkheid, die als in een stralenbundel alle stralen saamvat en dit alles in de hoogste voleinding vertoont in zijn persoon. Bestaat nu krachtens de schepping reeds mogelijkheid van innige vereeniging tusschen God en die enkele individuen, veel inniger, ja volkomen moet natuurlijk die vereeniging Gods met dien geheel éénigen mensch, dien Zoon des menschen zijn die aller zieleadel in het ééne brandpunt van zijn Ik, die aller leven in de voleinding der volkomenheid in zijn eigen persoon te aanschouwen geeft. Ja, die geheel éénig is, geheel eenig in dien zin, dat de grondslag zijner persoonlijkheid niet eenig menschelijk individu maar Godzelf zijn moet. Alleen Godzelf kan al de lichtstralen, die Hij in het uitnemendste geslacht zijner schepselen verordineerde, saamvatten in een enkelen handgreep. Bovenal, alleen Godzelf kan dat hoogheilige van het éénig aan God verwante schepsel openbaren in voleinding en volkomenheid. Al gaat derhalve de wijze dezer openbaring al ons begrip te boven wat ons begrip niet te boven gaat is de aanwijzing: Ie. dat de mensch op de innigste gemeenschap met het leven Gods is aangelegd, en 2e. dat in hem die al den schat door God aan het menschelijk geslacht verordineerd in zijn ééne hart en dat wel in voleinding openbaren zal, de basis der persoonlijkheid niet kan zijn een menschelijk individu, maar moet zijn God. De levenskern van het Hoofd der menschheid is de spil, waarom al het leven der menschheid in haar eigen vorm zich wentelt, en die waarom zich de menschheid beweegt, kan niet zijn één der spil,
menschen, maar moet God
zelf zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's