Uit het Woord - pagina 115
Stichtelijke bijbelstudiën. Tweede bundel.
111 en baant voor loochening van het Pinksterfeest den weg. Wat op Pinksteren te Jeruzalem in de opperzaal geschied is, was niet een openbaring, niet een werking, niet een ingeving, maar een uitstorting van den Heiligen Geest. Scherper gezegd zelfs, niet een uitstorting, maar de uitstorting des Geestes. Die uitstorting die slechts eenmaal komen kan, slechts ééns denkbaar is, en in haar aard en beteekenis beide van alle voorafgaande en daarna komende bedeelingen des Heiligen Geestes onderscheiden is. Slechts" eenmaal is er, na den Pinksterdag, van een uitstorting des Heiligen Geestes in de Schrift sprake. Lukas geeft er ons bericht van in het tiende hoofdstuk der Handelingen. In Cornelius' huisgezin was het eerst aan een die geen Jood en geen Jodengenoot was, het Evangelie van Jezus Christus verkondigd. En nu lezen we, dat de Heilige Geest viel op allen die het woord hoorden, en dat de geloovigen uit de Joden zich ontzett'en, „dat de gave des Heiligen Geestes ook op de Heidenen uitgestort werd." Tweeërlei verschil dus met den Pinksterdag. Te Jeruzalem de uitstf^rting des Heiligen Geestes. Te Caesarea ee^i uitstorting van de gave des Heiligen Geestes. stempelde,
En
evenzoo.
Te Jeruzalem
uitstorting
Jodengenooten. Te Caesarea Geestes op Heddenen. Het ééne Pinksterwonder
van
den
Heiligen Geest op Joden en van de gave des Heiligen
uitstorting
doorloopt twee
stadiën.
Het vindt
zijn
Hoofdopenbaring te Jeruzalem. Het wordt vervuld en volkomen gemaakt door het gebeurde te Caesarea. Beide feiten saamgenomen vormen het ééne groote wonder: De nederdaling van den Heiligen Geest in de Gemeente van Christus., gelijk deze uit Joden en Heidenen is sadmgesteld., maar met het eerstgeboorterecht van den Jood. „De zaligheid is uit de Joden." „Beginnende van Jeruzalem." De onderscheiding tusschen Joden en Heidenen heeft daarbij, ook De afgezien van het nationaal verschil, een blijvende beteekenis. scherpe grenslijn, die men ook nu trekken kan tusschen „kinderen der geloovigen" en de „toegebrachten uit de ongeloovige wereld," valt naar Paulus' maatstaf in geestelijken zin, schier geheel met deze onderscheiding saam. We derven de vrucht, die de Apostolische schriften ons brengen moesten, zoo men bij deze al hun arbeid beheerschende onderscheiding uitsluitend aan een geschiedkundige bijzonderheid der eerste eeuwen denkt. „Al wat geschreven is, is ook om onzentwil geschreven." Te recht oordeelden daarom onze vaderen dat men, zoo dikwijls van „Heidenen" in de Schrift sprake was, dit op zichzelf in zijn
onbekeerden staat had toe te passen. Men was zelf die Heiden geweest, en was in zichzelf, buiten Christus, die Heiden nog.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's