Uit het Woord - pagina 228
Stichtelijke bijbelstudiën. Tweede bundel.
224 en daarom veel hooger trap van geloofsontwikkeling, het eerste tijdperk onzer toebrenging ondersteld mag 'worden. levenswet, waarnaar het geloof ontkiemde in het hart der Apostelen,
veel dieper inzicht
dan
De
in
geldt ook voor ons. Gelijk zij, eenmaal tot de belijdenis gekomen, dat Christus de Zoon des levenden Gods was, de gedachte niet konden dragen, dat Hij lijden en sterven zou, en eerst later, in hun brieven, onder de leiding des Geestes, tot het klaar inzicht komen, dat Hij,
hoewel Hij de Zoon was, gehoorzaamheid geleerd heeft, zoo begint ook onze gemeenschap met den Heiland door een daad van het hart, door een: „Komt laat ons aanbidden en nederknielenl" door een verliezen van ons zelf, om geen oog te hebben dan voor Hem. Zoo moet het zijn, het kan niet anders. Kan niet anders om der zonde wil. Omdat de zonde hart en hoofd gescheiden heeft. Het hart is met zijn toewijding dan verre ons denken vooruit, en eerst later, als ons dit nieuwe leven tot bewustzijn komt, als men zich rekenschap geeft van zijn hope, als de Christus ons te heilig wordt om niet elke zijde aan zijn geheimzinnige persoonlijkheid met eerbiedige nauwkeurigheid te bezien, gaat er voor het zielsoog een licht over zijn gansch wonderlijke verschijning op, waarbij de fijne trekken van zijn echt menschelijke natuur zichtbaar worden. Hieruit volgt dat het uiterst onmenschkundig zou zijn, indien men de kinderen der Gemeente, in school of huisgezin, te scherp op de onderscheiding tusschen zijn beide naturen wijzen wilde. Een jong kind heeft een vermogen, dat bij ons onderging, om eerst door wedergeboorte hersteld te worden, he*t drievoudig vermogen om, natuurlijk in lageren aardschen zin genomen, te gelooven, lief te hebben en te hopen. Een kind gelooft bij instinct, heeft lief bij instinct, hoopt bij instinct. Er is in het kind een drang om zich toe te vertrouwen, om om aan te nemen, om te volgen. Er is in het kind te luisteren, evenzeer een behoefte om te genieten in het liefhebben en minnen. Het kind is altijd optimistisch en loopt blij en hoopvol de toekomst tegen. Wel is zijn geloof ontheiligd, zijn liefde zonder zedelijke kracht, zijn hoop zonder grond; wel woelt het eigen ik, soms huiveringwekkend, door dat gelooven, lieven en hopen heen; wel bespeurt ge telkens dat noch zijn geloof, noch zijn liefde, noch zijn hoop van het echte goud is of waarde heeft voor eeuwig; veeleer blijkt het u telkens dat ze minderen in kracht en afnemen in waarde, naarmate het kind opgroeit; maar hoe ook door de zonde ontaard en verbasterd, dat gelooven, lieven, hopen het element is van ons kinderleven, kan niet ontkend. Maar het zijn plantjes zonder levenswortel. Straks verdorren en sterven ze. Allengs ziet ge het kinderlijk geloof in zelfvertrouwen en betweterij, het kinderlijk lieven in zelfzucht en nijd, het kinderlijk hopen in ontevredenheid en geblaseerdheid ondergaan. Tot Jezus ons nadert en ons toefluistert: „Wordt weer als dit kindeke! d. w. z. laat geloof, liefde en hoop weer het element van uw leven worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's