Uit het Woord - pagina 170
Stichtelijke bijbelstudiën. Tweede bundel.
166 eigen gedachten, voor de veelheid onzer eigen indrukken en ervaringen, bi] de strooming die onze tijd in de geestelijke wateren blies, een hecht fundament en vasten hoeksteen te vinden in een daad Gods, van Hem zelf alleen afhangend, ons fel gejaagd hart werkelijk die, rusten doet in Hem, voor wien het geschapen is, in Hem die zijn is, de Bron van het hoogste goed, de Eenige, wiens zal die Hij majesteit ons uit den stroom der voorbijgaande verschijnselen in het
onwrikbare en waarlijk zijnde kan opheffen. Van de uitverkiezing handelen we, niet om Gomarus tegen Arminius, niet om Bogerman tegen Episcopius te verdedigen, maar om voor de zonen van het thans levend geslacht een poging te wagen, of hun machteloosheid nog tot kracht, tot onverwinnelijke en geestelijke ontcrugdringbare kracht kon worden, door al de strengen van hun zielsleven weer tot een machtigen bundel saam te binden, door eenheid van doel en richting aan het verstrooide leven te herschenken, en dien alles voortstuwenden stoot door hun wil te doen trillen, die onze vaderen als onweerstaanbare helden deed opspringen, zoodra hun de meêsleepende gedachte van uitverkiezing door de ziel voer. Daarom, letten we op de verschijnselen van het leven, waaronder er drie vooral onze aandacht trokken: het sterksprekend verschil in zin en neiging tusschen geloovigen en ongeloovigen het kleine cijfer en de gelijke oorsprong bij zoo radicaal verschillende der eersten uitkomst. En die feiten, zoo beweerden wij konden niet verklaard worden dan door de verkiezing. Thans voegen we er bij tenzij men of de grenslijn tusschen dood en leven uitwissche, of ook bekeering mogelijk achte aan gene zijde des grafs. Denkt men bi] het hooren der Apostolische verklaring: „Wij zijn overgegaan uit den dood in het levo),'" aan fanatisme, aan geloofso verspanning en onjuiste keuze van beeldspraak; ontkent men dat de mensch, gelijk hij thans krachtens zijn geboorte bestaat, van nature het eeuwig leven missend, dood is in veel dieper en waarder zin dan het lijk in de groeve; verwatert men de heerlijke gedachte van „wedergeboorte," „bekeering," „nieuwe schepping" en „kindschap Gods" tot de gelijkvloersche verhoudingen van ontwikkeling en veranderingen; cijfert men dus in één woord de volstrekte onderscheiding weg, die door de Christelijke Kerk aller eeuwen tusschen het zijn en niet-zijn in Christus beleden is: natuurlijk dan reppen we ook niet meer van uitverkiezing en doet Darwins leer ter verklaring van het leven nog wel zoo treffelijken dienst. En zoo ook, indien men ophoudt de beslissing voor onze eeuwige toekomst aan deze zijde van het graf te zoeken. Bestrijdt men de 3 gedachte die, door de Gereformeerde volkstaal aan Prediker 11 gezich acht men ontleend, „den boom liggen laat waar hij valt;" rechtigd om voor den zondaar die in zijn onbekeerlijkheid en verharding stierf, nog een bekeering in de eeuwigheid te hopen; trekt
eeuwig
blijvende,
;
;
:
:
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's