Uit het Woord - pagina 208
Stichtelijke bijbelstudiën. Tweede bundel.
204 zoo peilloos diep en toch zoo onuitmaakt, maar die, al ontplooit zij zich later, toch bij dit Kerstevangelie reeds in Johannes perste, zijn geest spande, en zijn woord tot een oceaan der gedachte stempelde. En daarom wil men Johannes' Kerstevangelie ten volle verstaan, lees dan eerst in uw gedachte de tegenstelling: „De mensch was vleesch geworden, en wij hehhen zijne versmading aanschouwd^ een versmading als van een gehoorne uit den Sathan^ vol van zelfzucht en leugen." En laat daarop het Evangelie volgen ^^Het Woord is vleesch geworden^, en we hehh-,n zijn heerlijkheid' gezien, een heerlijkheid als van den Eengt^boorne des Vaders^ vol van genade en waarheid." Eerst door de diepe
Evangelie sprekelijk
zoo
aangrijpend,
verheven
:
schaduw schittert het licht van zijn woord in ongebroken glans. Niet van een m^'?2sc/« wording, maar van een vle e schoor diva.^ spreekt Johannes. Niet alsof hij de menschwording loochende. „Omdat gij een mensch zijnde uzelven God maakt," is de grief der Farizeën. „Zie den mensch!" de Bileamsprofetie van den Eomeinschen Landvoogd, die ons juist deze Evangelist teekent. „Komt, ziet een msnsch die mij alles gezegd heeft," is veeleer het woord der Samaritaansche, waarin Joannes' eigen
ziel
ligt.
woord mensch bevredigt hem niet. Mensch, dat is zulk een hooge, heerlijke gedachte, en ouder het menschelijke gezonken, was die menschheid, waaronder Jezus optrad. En daarin juist schittert hem de grondelooze ontferming tegen, dat het eeuwige Woord zich aan dat gezonken geslacht aansloot, dat mensch moest zijn, maar vleesch was geworden. Ook voor Johannes is de mensch het schepsel van alles te bovengaande uitnemendheid. Hij zong er van in het praeludium. De eeuwige Yader genereert het Woord, het Woord spreekt zich uit in het geschapene, want alle dingen zijn door het Woord gemaakt. Maar dat Woord is leven,, „in hetzelve was het leven," en dat leven sprak zich niet uit in deze gemaakte dingen, want „dat leven was het licht," w. z. het was heilig leven, en van heilig leven weet zon noch d. weet stof noch cel, weet plant noch dier. Daarom schiep Hij star, nog een hooger wezenssoort, dat ook dit heilig leven in zich dragen kon. „In hetzelve was het leven, en het leven was het licht .... van wat, van welk creatuur? .... was het licht der menschen." In dat woord trilt de Engelenzang uit Efrata's velden na. Zijn leven, het licht, niet van eenig ander creatuur, maar „het licht der menschen," wat is het anders dan een echo op der Engelen lofpsalm „In menschen een welbehagen!" En wederom die Engelenhymne, wat is ze anders dan een rijke variatie op het scheppingsthema uit Mozes' eerste boek: „Laat ons menschen maken, naar ons beeld en onze gelijkenis," straks door de Opperste wijsheid in het Spreukenboek dus vertolkt: „En mijn vermakingen zijn met de menschenkinderen.''* In menschwording zou daarom de eeuwige liefde, de genade
Maar
toch,
dat
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's