Uit het Woord - pagina 225
Stichtelijke bijbelstudiën. Tweede bundel.
221
kwam
het op goddelijk eerbewijs aan de „Koninginne des Hemels" en de heilig bevondene neer. Ze heeft thans heiir loop voleind, en door de onfeilbaarheids verklaring van den mensch, die op Romes bisschopszetel troont, ook onder de levenden een persoon aangewezen, aan wien, ondanks het protest van het tegendeel, door het weinig redeneerend maar devoot zich toewijdend hart een eere en hulde wordt toegebracht, die niet is eens menschen. Toch vergist zich, wie alleen bij Eome de openbaring dezer zonde zoekt. Ze huist ook bij ons. Let slechts op de zucht, om de heiligen des Ouden en des Nieuwen Verbonds van schuld vrij te pleiten; luister slechts hoe men op allerlei wijs Jacobs gedrag tegenover Ezau, Davids houding tegenover Achis zoekt te vergoelijken; zie slechts hoe bedenkelijk de vrijbrief is, dien men voor eigen zonden, als waren het geen zonden, aan feiten in de Schrift vermeld ontleent. Men maakt zich eenmaal diets, dat de beelden yalerij der Schrift ons als ideaal van deugd en uitnemendheid wordt voorgehouden, en erkent nog niet dat ze slechts een wulke van yeloofsyetuiyen zijn, waarin niet '5 menschen grootheid, maar de alles overwinnende ontferming onzes Gods blinkt, die in zoo zondige creaturen zulk eene geloofskracht wekte door zijn Geest. En wat openbaart zich dan in die voorstelling anders, dan de zucht om ook ónze heiligen, ook onze voorwerpen van vereering te hebben, vergetende dat alle vleesch gras is en al zijn heerlijkheid als een bloem des velds. Uit dit oogpunt nu heeft men ook het verkeerde in de belijdenis van den Christus te beoordeelen en komt daardoor tot een tes:enovergestelde slotsom. Men heeft niet 's Heeren Godheid eenzijdig op den voorgrond gesteld, om zijn menschelijke natuur te vergeten, maar men heeft integendeel den mehsch Jezus Christus, in strijd met de stellige waarschuwing onzer Hervormers, vergood. Zoo werd het mogelijk, dat men zijn bloed en wonden, de duidelijke teekenen van zijn menschheid, tot voorwerpen van goddelijk eerbetoon koos, gewagende van zijn „yoddelijk bloed." Zoo kwam het, dat men in den mensch Christus Jezus de bewegende oorzaak zocht, waardoor ontferming en genade in het Vaderhart van onzen God gewekt was. Zoo ontstond een gebedsvorm en prediking, die zich ter aanbidding bij voorkeur, soms schier uitsluitend tot den Heiland wendde. Zoo werd een Schriftuitlegging geboren, die den mensch Christus Jezus met goddelijke eigenschappen bekleedde. Zoo kwam men er toe de voorbereidende genade, het trekken van den Vader tot den Zoon uit het oog te verliezen. Zoo eindelijk werd dat inzicht in het eeuwige afgebroken, dat de diepste grond van ons heil zoekt in Gods eeuwige verkiezing. Bij geen dezer verschijnselen, noch ook bij de Eoomsche en Luthersche Avondmaalsleer, heeft men te doen met een voorbijzien van Jezus' menschelijke natuur, maar steeds en altijd met een vergoden van den mensch Christus Jezus. Ge vindt nooit in de Kerk
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's