Uit het Woord - pagina 33
Stichtelijke bijbelstudiën. Tweede bundel.
29
wat vroeger in de ziel omging, dan op de genadewerkingen van het heden, en beschouwen het nu eenmaal als een uitgemaakte zaak, als iets dat vanzelf spreekt, als iets waaraan niemand in hun omgeving twijfelt, dat zij des eeuwigen levens gewis en van hun erfdeel onder de heiligen verzekerd zijn. Dit trekt almeer in hun levenskring een scherpe grenslijn tusschen hen en de minder vasten of nog geheel onbeslisten. Meer nog door anderer opzien tegen hen, dan door eigen inbeelding, wennen ze zich aan het denkbeeld, dat ze van heiliger gestalte dan de anderen zijn. Almeer komt het hun voor, alsof de plante hunner ziel, het tijdperk der natmaking en omgraving reeds lang voorbij, alleen op het afwerpen van vrucht voor anderen had bedacht te zijn. Bijna uitsluitend op de kroon, schier nooit op den wortel van hun zielsleven is hun oog gericht. Zoo wordt de afstand tusschen hen en hun omgeving al wijder, al grooter. Bij hen het licht, in anderen slechts de schaduw. Als geestelijke koningen gevoelen ze zich in het kleine rijkje van
hun
kring.
zulk een gemoedstoestand ligt de zonde van den hoogmoed voor de deur, en moet ze, eenmaal binnengeslopen, zich ten koste van anderen zoeken te uiten. Heeft men eenmaal den naam van geestelijke meerderheid te bezitten, dan moet die naam ook opgehouden. Vooral zoo vreemden den kring binnentreden, moet het purper der geestelijke uitnemendheid worden omgehangen. De eens veroverde heerschappij moet door inspanning van kracht worden gehandhaafd en hoe zooals de schilder op het doek zijn lichttinten kan het anders? penseelt, zoo moet dan ook de lichtglans om het eigen hoofd getoodoor een donkere schaduw te laten vallen op anderen. verd, Aan opbeuren van het gekrookte riet kan dan niet gedacht. Het moet ijlings verbroken. Aan voeden van de glorende vlaswiek valt niet te denken. Geen licht, schaduw moet er zijn, en elk vonkje, dat opgloort, dreigt daarom zijn grootheid te verkleinen. Zoo wordt de liefde gedood, de barmhartigheid uitgestooten, en het rijkst, het heerlijkst voelt men zich, als alle vonk des levens van rondsom is uitdat der eigen ziel, gebluscht, en er maar één licht flikkeren blijft, Onnarekenbaar is de schade door zoo licht verklaarbaren hoogmoed en zelfverheffing aan het Koninkrijk van Christus toegebracht. De Heere buigt zich neder, wordt mensch, wordt een dienstknecht met en voor ons en vernedert zich als een worm in het stof, om zelfs den diepst neêrgebogene te bereiken en het geloof aan weeroprichting te blazen in de diepste verbrijzeling van het hart. Niet alzoo deze „heiligen." Die gelooven wil moet maar opklimmen tot de hoogte van hun eeregestoelte. Zij neigen zich niet tot het nog kruipend kind om het op te richten en loopen te leeren, maar zien uit hun vermeende hoogte op de kleinen en bedrukten van ziel neder, als had de beBij
—
—
—
—
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 1 januari 1896
Abraham Kuyper Collection | 256 Pagina's