De drie Formulieren van Eenigheid - pagina 21
gelijk die voor de Gereformeerde Kerken dezer landen zijn vastgesteld op de Nationale Synode van Dordrecht
BELIJDENIS DES GELOOFS
19
die loochenen dat Christus menschelijk vleesch
van
zijne
moeder
dat Christus is deelachtig geworden des vleesches en bloeds der kinderen; dat Hij eene vrucht der lendenen Davids is, zooveel het vleesch aangaat; geworden uit het zaad Davids naar het vleesch; eene vrucht des buiks van Maria; geworden uit eene vrouw; eene spruite Davids; eene scheut uit de wortelen van Isaï; gesproten uit het geslacht van Juda; afkomstig van de
aangenomen
heeft),
Joden, zooveel het vleesch aangaat; uit den zade Abrahams, aangezien Hij aangenomen heeft het zaad Abrahams, en is zijnen broederen in alles gelijk geworden, uitgenomen de zonde; alzoo
dat Hij in der waarheid onze Immanuël
is,
dat
is,
God met
ons.
XIX.
[Van de vereeniging en het onderscheid der twee naturen van Christus in één persoon.]
Wij gelooven, dat door deze ontvangenis de Persoon des Zoons zamen gevoegd is met de menschelijke natuur; zoodat er niet zijn twee Zonen Gods, noch twee personen, maar twee naturen in eenen eenigen persoon vereenigd; doch elke natuur hare onderscheidene eigenschappen behoudende. Gelijk dan de Goddelijke natuur altijd ongeschapen gebleven is, zonder beginsel der dagen of einde des levens, vervullende hemel en aarde, alzoo heeft de menschelijke natuur hare eigenschappen niet verloren, maar is een schepsel gebleven, hebbende beginsel der dagen, zijnde een eindige natuur, en behoudende al hetgene dat een waar lichaam toebehoort. En hoewel Hij haar door zijne verrijzenis onsterfelijkheid gegeven heeft, nochtans heeft Hij de waarheid zijner menschelijke natuur niet veranderd, dewijl onze zaligheid en verrijzenis mede hangen aan de waarheid zijns lichaams. Doch deze twee naturen zijn alzoo te zamen vereenigd in één persoon, dat zij ook zelfs door zijnen dood niet gescheiden zijn geweest. Zoo was dan hetgene Hij stervende in de handen zijns Vaders bevolen heeft, een ware menschelijke geest, die uit zijn lichaam scheidde; maar intusschen bleef de Goddelijke natuur altijd vereenigd met de menschelijke, ook zelfs toen Hij in het graf lag; en de Godheid hield niet op in Hem te zijn, gelijk zij in Hem was toen Hij een onafscheidelijk vereenigd en te
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1897
Abraham Kuyper Collection | 164 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1897
Abraham Kuyper Collection | 164 Pagina's