De drie Formulieren van Eenigheid - pagina 18
gelijk die voor de Gereformeerde Kerken dezer landen zijn vastgesteld op de Nationale Synode van Dordrecht
BELIJDENIS DES GELOOFS
16
ons verlaten, wetende dat Hij de duivelen in den toom houdt en onze vijanden, die ons zonder zijne toelating en wil niet schaden kunnen. En hierin verwerpen wij de verdoemelijke dwaling der Epicureƫn, dewelke zeggen, dat zich God nergens mede bemoeit, en alle dingen bij geval laat geschieden. alle
XIV.
[Van de schepping en
val des
menschen en
zijn
onvermogen
tot
het ware goed.]
Wij gelooven, dat God den mensch geschapen heeft van het stof der aarde, en heeft hem gemaakt en geformeerd naar zijn beeld en gelijkenis, goed, rechtvaardig en heilig; kunnende met zijnen wil in alles overeenkomen met den wille Gods. Maar a/5 hij in eere was, zoo heeft hij het niet verstaan, noch zijne uitnemendheid erkend; maar heeft zichzelven willens der zonde onderworpen, en overzulks den dood en vervloeking, het oor biedende aan het woord des duivels. Want het gebod des levens, dat hij ontvangen had, heeft hij overtreden, en heeft zich van God, die zijn ware leven was, door de zonde afgescheiden; hebbende zijne geheele natuur verdorven; waardoor hij zich schuldig gemaakt heeft des lichamelijken en geestelijken doods. En in alle zijne wegen goddeloos, verkeerd, en verdorven geworden zijnde, heeft hij verloren alle zijne uitnemende gaven, die hij van God ontvangen had, en heeft niet anders overig behouden dan kleine overblijfselen daarvan, dewelke genoegzaam zijn om den mensch alle onschuld te benemen; overal het licht, dat in ons is, in duisternis veranderd is, gelijk de Schrift ons leert, zeggende: Het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft het niet begrepen; alwaar de Heilige Johannes de menschen duisternis noemt. Daarom verwerpen wij al wat men hiertegen leert van den vrijen wil des menschen, aangezien de mensch niet dan een slaaf der zonde is, en geen ding kan aannemen, zoo het hem uit den hemel niet gegeven zij. Want wie is er, die zich beroemen zal iets goeds te kunnen doen als uit zichzelven, daar toch Christus zegt: Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke ? Wie zal met zijnen wil voorkomen, die daar verstaat, dat het bedenken des
mits
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1897
Abraham Kuyper Collection | 164 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1897
Abraham Kuyper Collection | 164 Pagina's