De Drie Formulieren van Eenigheid - pagina 20
gelijk die voor de Gereformeerde Kerken dezer landen zijn vastgesteld op de Nationale Synode van Dordrecht
BELIJDENIS DES GELOOFS
18
des duivels. Want het gebod des levens, dat hij ontvangen had, heeft hij overtreden, en heeft zich van God, die zijn ware leven was, door de zonde afgescheiden; hebbende zijn gehele natuur verdorven; waardoor hij zich schuldig gemaakt heeft des lichamelijken en geestelijken doods. En in al zijn wegen goddeloos, verkeerd, verdorven geworden zijnde, heeft hij verloren al zijn uitnemende gaven, die hij van God ontvangen had, en heeft niet anders overig gehouden dan kleine overblijfselen daarvan, dewelke genoegzaam zijn om de mens alle onschuld te benemen; overmits al het licht, dat in ons is, in duisternis veranderd is, gelijk de Schrift ons leert, zeggende: Het licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft het niet begrepen; alwaar de Heilige Johannes de mensen duisternis noemt. Daarom verwerpen wij al wat men hiertegen leert van de vrije wil des mensen, aangezien de mens niet dan een slaaf der zonde is, en geen ding kan aannemen, zo het hem uit de hemel niet gegeven zij. Want die zich beroemen zal iets goed te kunnen doen als uit daar toch Christus zegt: Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke? Wie zal met zijn wil voorkomen, die daar verstaat, dat het bedenken des vleses vijandschap is tegen God? Wie zal van zijn wetenschap spreken, ziende, dat de natuurlijke mens niet begrijpt de dingen die des Geestes Gods zijn? Kortelijk, wie zal enige gedachte voor-
wie
is er,
zichzelf,
dat wij niet bekwaam zijn van onszelf denken, als uit onszelf, maar dat onze bekwaamheid uit God is? En daarom hetgeen de Apostel zegt, behoort met recht vast en zeker gehouden te worden, dat God in ons werkt beide het willen en het werken, naar zijn welbehagen. Want er is noch verstand, noch wil, het verstand en de wil Gods gelijkvormig, of Christus heeft ze in de mens gewrocht; hetwelk Hij ons leert, zeggende: Zonder Mij kunt gij niets doen. stellen, dewijl hij verstaat,
iets te
XV [Van de erfzonde] Wij geloven, dat door de ongehoorzaamheid van Adam de erfzonde uitgebreid is geworden over het ganse menselijk geslacht; welke is een verdorvenheid der gehele natuur en een erfelijk
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1897
Abraham Kuyper Collection | 164 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 januari 1897
Abraham Kuyper Collection | 164 Pagina's