Vrouwen uit de Heilige Schrift - pagina 17
ADA EN
ZILLA.
Zie dat maar aan Ada en Zilla, de eerste vrouwen, die, met Naema, onder Eva's dochteren met name genoemd worden. Ada en Zilla hadden zich er toe geleend, om met heur beide de vrouw van éénzelfden man te zijn, en hierin tegelijk de vrouw verlaagd, Gods ordinantiën geschonden, en een nieuwe ontwikkeling
van verderf over ons geslacht gebracht. Reeds haar namen, die in dien eersten tijd altoos zinrijk zijn, zeggen ons wat soort vrouwen deze Ada en Zilla waren want Ada beduidt een „prachtig opgesierde" vrouw, en Zilla een vrouw wier nadering ge reeds van verre door „het gekletter" harer gouden ;
sieraden bemerkt. Toen de man in het paradijs door de
God haar voor zijn
en
straf onder den
vrouw verleid was, stelde man: „Tot uw man zal uw begeerte
u heerschappij hebben." vernieuwing van adel is er alzoo voor de vrouw zoo ze deze straf willig aanneemt, en, door deze ontdiepte der vernedering henen, weer een weg naar boven
hij
zal over
Zoen en dan alleen, zettende zoekt.
Doch daarvoor is geloof, is genade noodig; en de zondige vrouw wil die niet. Veeleer keert de zondige vrouw het om, en speurende hoe de man naar haar trekt, speelt ze het zondig spel der behaagzucht, om door verhooging van haar schoon, macht over den man te krijgen. Zoo wordt de vrouw een Ada, die zich heeft opgesierd, en een Zilla, die haar goud en juweelen reeds van verre doet schitteren; en baart Zilla een Naema, d. i. een „pracht van een meisje," die door het verleidend lokaas van haar vrouwelijke schoonheid den man nog te dieper voor de vrouw zal doen buigen.
Toch is deze triomf van de zondige vrouw, die over den man heerschen wil, slechts een overwinning in schijn. Feitelijk toch is ze door haar moedwil en zondig bedoelen nog dieper gezonken, en reeds in de veelwij verij, die met Ada en Zilla opkomt, treedt deze zelfvernedering aan het licht. Nu er tivee vrouwen zijn voor één man, speelt die man die beide vrouwen tegen elkaêr uit, en daarmee is de kracht van haar bekoring gebroken. Nu toch verteert zich beider zondig woelen niet in overmacht over den éénen man, maar in benijding van elkander. En Lamech, wel verre van onder Ada en Zilla te raken, dondert haar zijn wilden m oordzang in het oor. Want immers Tubal-Kain, zijn zoon, heeft ijzer gesmeed en voor het eerst een zwaard gewet, en met dat gewette zwaard in de sterke vuist, pocht de woestaard.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1898
Abraham Kuyper Collection | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1898
Abraham Kuyper Collection | 264 Pagina's