Vrouwen uit de Heilige Schrift - pagina 84
82
opnemen. Ook meldt de historie niet, dat ze eenige positie van aanzien innam. Alleen schijnt ze ook na Saul's dood Abner buiten echt ter wille te zijn geweest. Van die zijde dus niets dat boeit eer veel dat een droeven indruk maakt en vrouwelijke zwakheid verraadt. Maar bi] de lijken van Armóni en Mephibóseth en van de vijf zonen van Michals zuster heeft deze Rizpa een schoone daad bestaan. ;
De zaak was
deze. Saul, in wien eigendunkelijkheid hoofdzonde was,
had trouwbreuk
gepleegd aan de Gibeonieten. Ge kent de Gibeonieten dat Amorietische volk, dat sluw en sHm met verscheurde kleederen en beschimmeld brood, als kwamen ze van heel ver, tot Jozua was gekomen en met wie Jozua in onbedachtzaamheid een verbond had gesloten. Hun bedrog kwam spoedig uit. Maar om het gegeven eerewoord, om de beloofde trouw, om de in den naam van Jehovah gegeven belofte, mocht toch het zwaard Gibeon niet verdelgen. En zoo bleven ze onder Israël wonen, als watei^putters en houthakkers, het is zoo, maar ook als toonbeeld, hoe een eed en belofte zelfs tegenover een schuldige heilig blijft. Een trek, die ons daarom zoo diep door Gods Woord wordt ingegrift, opdat wij, zondaren, het geloof niet verliezen zouden in de trouw van Gods belofte aan ons. Immers wij zijn tegenover God de Gibeonieten. En als er geen trouw aan Gibeon om zijn zonde was, waar bleef dan de trouw van den heiligen God tegenover ons, diepgevallenen die we zijn ? ;
;
Stipt liLid Israël dan ook al die jaren dien eed aan de Gibeonieten gestand gedaan, tot Saul optrad. Saul, die het maar niet verstond, dat hij niets had te doen dan de beschikking Gods uit te voeren, en alles zelf beschikken wilde. Met een goed doel, het zij zoo. Maar zoo dan toch, dat zijn wil en beschikking voor Gods bevel in de plaats trad.
Zoo wordt Agag gespaard uit menschlievendheid. Zoo moet hij Koning offeren in de plaats van Samuel. En zoo nu ook moest Gibeon uitgeroeid, omdat het een Heidensche stad in Israël was. Geheel uitgeroeid was het wel niet. Maar, genoeg, Saul had toch een schrikkelijke slachting onder Gibeon aangericht, en hiermee was als
de belofte aan Gibeon geschonden, en de eed gebroken, die in 's Heeren naam aan Gibeon gezworen was. Die eedbreuk moest gewroken en nauwelijks is Saul op de hoogte van Gilboa gevallen, of de Gibeonieten vragen een zoenoffer van zeven man uit het geslacht van Saul, waartoe de Koning èn liizpa's beide zonen, Armóni en Mephibóseth, aanwijst, én vijf zonen van Michals zuster. ;
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1898
Abraham Kuyper Collection | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1898
Abraham Kuyper Collection | 264 Pagina's