Vrouwen uit de Heilige Schrift - pagina 120
XXXVI.
Wc
ecbte moeöer van bet onecbte Uin^,
Toen
antwoordde
de
Koning
en zeide:
Geeft aan gêne het levende kind, en doodt het geenszins die is zijne moeder. 1 Kou. 3 27. :
:
Niet Salomo's recht mag ons hier bezig houden. Wat hier besproken moet, zijn de vrouwen, die in de H. Schrift ons geteekend worden, en op wier verschijning ook als vroinv we naar den eisch der Schrift te letten hebben. En is het dan een feit, dat aller menschelijk hart Salomo in zijn rechtspraak toejuicht, even warm klopt dat hart der moeder van het levende kind tegen, om den edelen trek, die in weerwil van haar zondig leven, in haar als moeder nog sprak. Want, natuurlijk, ze was een „slechte vrouw" een vrouw die in zonde leefde; die een andere vrouw tot deelgenoot van haar zonde gemaakt had; en die de stad Gods ontheiligd had door, ineen verborgen straat of steeg, een huis van publieke ontucht te openen. In zooverre boezemt ze dan ook niets dan weerzin 'n, en stoot ze ons af. Maar toch blijkt ook in haar, hoe er, zelfs bij den diepsten val in zonde, nog altoos zekere graden van geestelijke verachtering ;
bestaan.
Reeds die andere moeder, die het met wellust zou hebben aangezoo dat kleine wicht voor haar oogen in tweeën waren gehouwen, staat zooveel lager dan de vrouw, die als de echte moeder van het kind openbaar werd, en wier ingewand over den zoon van haar schoot ontstak. zien,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1898
Abraham Kuyper Collection | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1898
Abraham Kuyper Collection | 264 Pagina's