Vrouwen uit de Heilige Schrift - pagina 207
;
vrucht van Jezus' wonderdaad, tot bekeering kan gekomen zijn mits ge maar wel er op let, dat ze hier niet als een „geloovige" of „bekeerde" vrouw voorkomt, maar als een Heidensclie vrouw, die begaafd is met een zeldzaam sterk wondergeloof, of wilt ge, geloof in Jezus' wonderbare macht.
En
toch, al staat dit wondergeloof uiteraard beneden het zaliggeloof, omdat het zonder meer de ziel niet kan redden,
makend daarom
is toch ook dit geloof aan wondere uitredding een kostelijke gave van Gods gunste. Want al spreekt er geen kennisse van zonde en ellende, en dus ook geen kennisse van verzoening en verlossing uit, toch heeft zulk een geloof dit schoone en heerlijke, dat het aan de macht van den geest over het stof vasthoudt, en wel verre van in de aardsche middelen te verzinken, grijpt naar een reddende macht, die boven
het aardsche uitgaat.
al
Ze was niet alleen een Heidensche vrouw, maar zelfs een afstammelinge van die oude, booze, Kanaanietische volken, die Israël uit landpalen verdreven had, en die toen over de grenzen van zijn Phoenicië waren teruggetrokken. Haar afkomst had ze dus tegen zich en de landpalen van Tyrus en Sidon, waarbinnen zij woonde, ;
stonden geestelijk bijster laag. Juist daaruit ziet men echter, hoe men in het wondergeloof van deze vrouw niet met een natuurlijk werk van den ouden mensch, maar zeer bepaaldelijk met een gave van uitwendige, algemeene genade te doen heeft. En ook hoe God de Heere er zich zei ven in verheerlijkte, om deze aldus begaafde vrouw zijn lieven Zoon tegemoet te voeren, en bij deze ontmoeting èn zijn wondermacht èn haar ongemeen geloof, tot eere van zijn Naam en tot beschaming van Israël, te doen uitkomen. En nu dit zoo schitterend uitkomt, heeft het tevens den heiligen bijsmaak, dat zij zich, zij het ook nog pas uitwendig, aan den Messias vastklemt, en dat er in haar roepen een conscientiekreet uit de Heidenwereld naar Jezus uitgaat, om te protesteeren tegen Israëls trotsche verbeelding, alsof
beperkt
En vraagt ge het
Gods genade voor eeuwig
tot Israël
zou
zijn.
antwoord:
nu, niet
waarop zulk wondergeloof zich richt; dan luidt op Gods genade, die van zijn zonde verlost.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1898
Abraham Kuyper Collection | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1898
Abraham Kuyper Collection | 264 Pagina's