Vrouwen uit de Heilige Schrift - pagina 206
XIV.
De
Ikananeescbe.
En
zie, eene Kananeesche vrouw uit die landpalen komende, riep tot hem, zeggende Heei-e, gij Zone Davids, ontferm u mijner; mijne dochter is deerlijk van den duivel bezeten. :
Mattli. 15
Was
de
Kananeesche
een
hekeerde
:
2-2.
vrouw? Was het overgroot
geloof, dat Jezus in haar roemde, het zaligmakend geloof'? Het verhaal zegt er niets van.
Al wat ons gemeld wordt is, dat ze geloofde in Jezus' wóndermacht, en niet afliet, eer de zegen van die reddende macht aan haar kind ten deel viel. Een geloof dus van datzelfde soort, waarvan Jezus sprak toen Hij zeide: „Indien ge een geloof hadt als een mosterdzaadje, ge zoudt tegen dezen berg zeggen wordt opgenomen en in de zee geworpen, en het zou aldus geschieden." En er is dan ook sprake van brood voor de kinderkens, en van kruimkens voor de hondekens en dat brood is de reddende wondermacht, waarmee de Christus Israël zegende, en die kruimkens bedoelen iets van die reddende wondermacht, waarmee de Kananeesche wil dat haar dochter begenadigd zal worden. Van geestelijke genadewerking is alzoo in heel het verhaal geen sprake. En dat zij zelve een allerminst wedergeborene was, blijkt wel het overtuigendst daaruit, dat Jezus haar bij de Heidenen insluit en met de overige Heidenen onder de „bondekens" rangschikt. :
;
Iets
waardoor natuurlijk
niet
is
uitgesloten,
dat
ze
later,
als
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1898
Abraham Kuyper Collection | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1898
Abraham Kuyper Collection | 264 Pagina's