Vrouwen uit de Heilige Schrift - pagina 208
196
DE KANANEESCHE.
maar wel op die verlost
zijn
almachtigheid
van onze menschelijke
En vraagt ge
en
op die Goddelijke ontferming,
ellende.
ten anderen, hoe er zich dit geloof op richt, dan
moet geantwoord: Door het volhardend gebed; want wat die vrouw u leert is, dat ge in nood en dood moet bidden. Wat die Kananeesche doet, is met open oogen bidden; en zóó bidden, dat ze niet aflaat en niet loslaat^ en, door dien onweerstandelijken drang van haar gebed, triomfeert. En al was dit nu geen gebed om een geestelijk goed, noch voor haar noch voor haar kind, toch toont die Kananeesche vrouw ons het gebedsmi/sterie. Een gebed, dat geen oogenblik door twijfel geschokt wordt een gebed dat toont, hoe ze bereid is, om zich voor Gods almachtig bestel tot op het diepst te vernederen; een gebed dat te vuriger wordt, naarmate de reddende genade toeft en uitblijft en juist daardoor een gebed, waarop straks de verhooring gevolgd is. Van Avat Jacobus in den biddende noemt: „een baar der zee gelijk zijn", was in de Kananeesche juist het tegendeel te aanschouwen. Maar ook toont ze u, de Kananeesche, hoe rijke gave, zelfs hoe rijke gave van geloof, er in het hart van een onbekeerde kan gewerkt worden, zonder dat in zijn oog nog iets is van dat echte en geheel eigen geloof, dat Gods uitverkorenen het middel der zaligheid is. ;
;
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1898
Abraham Kuyper Collection | 264 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van zaterdag 1 januari 1898
Abraham Kuyper Collection | 264 Pagina's